Vier en een halve eeuw calvinistische normen en waardenloosheid (V): Vroom dansen rond het Gouden Kalf

 Klik hier voor deel 1

Dit artikel werd eerder al op 21-05-09 gepubliceerd op Anarchiel.com en wordt hier met toestemming van Jim Beam nogmaals onder de aandacht gebracht.

Klik hier voor de andere stukken van Jim Beame

Vier en een halve eeuw calvinistische normen en waardenloosheid (V): Vroom dansen rond het Gouden Kalf

Vervolg van deel IV

Nazi-collaboratie met goedkeuring van de christelijke regering
‘De Nederlandse bereidheid om ingeschakeld te worden in de Duitse oorlogseconomie was overweldigend groot’, aldus Arie van der Zwan, schrijver van biografieën over kopstukken uit de wereld van handel en economie in de oorlog (NRC-boeken 18-11-04). De regering heeft er geen moeite mee dat zakenlieden als de protestantse F.H. Fentener van Vlissingen – die zijn familie maakt tot een van de machtigste en rijkste van Nederland, goed voor 9,2 miljard (Quote) – als commissaris van drie grote industriële bedrijven, vlijtig samenwerkt met de bezetter en twee onderscheidingen ontvangt van Hitler. De Führer decoreert hem ondermeer met het Kruis van Verdienste van de Orde van de Duitse Adelaar.1 Uit naam van de Koningin wordt Fentener van Vlissingen voor zijn verdiensten onderscheiden als Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Zijn familiebedrijf, de Steenkolen Handels Vereniging, incasseert vermogens met de import van steenkool uit Duitsland en onderhoudt uitstekende contacten met nazi-industriëlen. Prins Bernhard neemt Fentener van Vlissingen later in bescherming. Na de oorlog benoemen de autoriteiten hem nota bene als voorzitter van een commissie die de eveneens dubieuze rol van de Directeur Generaal van Handel in de oorlog moet beoordelen (NRC-boeken 24 november 2006).2 Waar een normaal mens belangenverstrengeling ziet, kan Van Vlissingen optreden als zowel adviseur van de overheid als grootaandeelhouder van het familiebedrijf.

De betreffende Directeur Generaal van het Ministerie van Handel en Nijverheid – het huidige Ministerie van Economische Zaken – Hirschfeld, heeft volgens de commissie onder leiding van Feltener van Vlissingen, het beste voorgehad met Nederland. Hirschfeld krijgt een hoge Duitse onderscheiding, plaatst wapenbestellingen voor de Nederlandse krijgsmacht in Duitsland, speelt dubbelspel en een centrale rol in een spoedige inlijving van het Nederlandse bedrijfsleven in de Duitse oorlogseconomie (NRC-boeken 18-11-04). Ook in zijn geval vormt het collaboratieverleden geen enkel probleem: in 1947 belast de regering de Lutheriaan Hirschfeld met de toewijzing van de Marshall Hulp. 

Bedrijven als Philips en SHV maken in de oorlog hun grootste winst
Hirschfeld is lid van de Raad van Commissarissen van Philips’ gloeilampenfabriek. Philips weet in de oorlog een winst te halen van twee en negentig procent in twee jaar! Over Philips schrijft Hein Klemann in zijn boek ‘Nederland 1938-1948’:

Philips wist al snel na de capitulatie zijn productie weer op gang te krijgen. Aanvankelijk produceerde dit bedrijf op voorraad, maar ook de export, vooral naar Duitsland, kwam weer vlot op gang. Voor die export had het bedrijf niet alleen toestemming van de bezetter, maar hadden ook de Nederlandse autoriteiten [het christelijk-calvinistische kabinet Gerbrandy] alle begrip.3 

Zelf verklaart de katholiek Frits Philips in de Telegraaf ‘volkomen begrip’ en de ‘prettigste medewerking’ van de nazi’s te hebben ontvangen:

Direct na de capitulatie hebben de Duitse instanties ons te kennen gegeven dat ook zij er prijs op stelden dat de fabriek zo gauw mogelijk weer op volle capaciteit zou werken. (…) We hebben bij de Duitse en Nederlandse instanties volkomen begrip gevonden voor deze noodzakelijkheid en wij kregen de prettigste medewerking om dit te bewerkstelligen’

(Frits Philips, De Telegraaf, 20 oktober 1940).

Uit een onderhandse notitie van de bedrijfshistoricus van Philips blijkt dat de winst van dit elektrotechnische bedrijf, waar de boekjaren van 1 mei tot en met 30 april liepen, pas in 1941-’42 een hoogtepunt bereikten. Volgens door de Verwalter [=Duitse opzichter] opgestelde cijfers zou de winst in dat jaar 34% hoger geweest zijn dan in 1939-’40, het laatste boekjaar voor Nederland bij de oorlog betrokken raakte. De directie heeft na de oorlog nooit winst en verliescijfers gepresenteerd, maar stelde voor de fiscus wel zulke cijfers samen waaruit zou blijken dat de stijging tussen 1939-’40 en 1941-’42 niet minder dan 92% bedroeg.’4 

Vanaf 1935 produceert Philips elektronica als navigatie en communicatieapparatuur voor de Duitse Luftwaffe, de Kriegsmarine en de landmacht ten behoeve van Hitlers oorlogsindustrie en verzorgt het bedrijf tevens het onderhoud van de oorlogsmachine. Philips speelt een sleutelrol bij de opbouw van Hitlers oorlogsmaterieel en Albert Speer roept in januari 1943 dan ook verrukt uit ‘Das ist eine Deutsche Firma.’5 Het bedrijf heeft de tegenstander van de geallieerden voorzien van apparatuur waardoor er meer doden onder hen zijn gevallen dan nodig. Andere veel kleinere collaborerende bedrijven worden na de oorlog geconfisqueerd door de staat. Philips, en ook SHV en Van Doorne’s Automobiel Fabriek, blijven daarentegen ongemoeid. Door deze nazi-leveranties is Philips steenrijk geworden met een nooit eerder behaalde winst van 120 miljoen gulden.

In het concentratiekamp Vught heeft Philips een werkplaats waar enkele honderden gevangenen, onder wie 6% Joden, gratis productiewerk verrichten. Philips profiteert van dwangarbeid en kan het bedrijf voortzetten. Philips wordt hiervoor door de Duitsers gevraagd en heeft daarin toegestemd louter om – zoals Frits Philips zelf zegt in ‘De Vrije Philips Koerier’ van 27 juli 1946 –  ‘gevangenen te helpen.’ Deze uitspraak is inmiddels verheven tot officiële success story. Philips bezigt ook nu nog graag de gebruikelijke retoriek over verantwoord ondernemen en ethische codes maar heeft er tegelijkertijd geen moeite mee apparatuur te leveren voor ‘targeted killing’ in de Gaza strook en Westbank (Groene Amsterdammer 03-04-04). Een dochterbedrijf van Philips produceert later voor de Vietnamoorlog een uiterst giftig ontbladeringsmiddel met duizenden slachtoffers, waaronder kinderen met geboorteafwijkingen. Verzekeraars hebben een rechtszaak aangespannen (Volkskrant, 07-03-07).

De slaven die de Duitse kampoversten inzetten voor het productiewerk ontsnappen vanwege hun belang voor de oorlogsindustrie deels aan het transport naar Auschwitz, waardoor enkele honderden kunnen overleven (VPRO-aflevering ‘Andere tijden’ 8 april 2003). Net als de regering en het koningshuis is, behalve Frits, de Philips familie uitgeweken naar het buitenland en hebben zij hun bezittingen – waaronder een collectie Hollandse en Vlaamse oude meesters – ongeschonden door de oorlog geloodst. Een deel van de collectie oude meesters brengt bij Christie’s in 2007 een bedrag op van 8.823.974 euro.

Gedurende de oorlog is er sprake van grootschalige economische collaboratie waarbij bedrijven en masse graag orders in de wacht slepen van Duitse organisaties uit voornamelijk de oorlogsindustrie. Hiervoor richten twaalf topmannen uit het bedrijfsleven gezamenlijk het Nationale Comité voor Economische Samenwerking op. Behalve bedrijven als Philips, Daf, de SHV, Zwolsman (Atlantikwal) en de PTT werken ook de NS mee, zonder welke het transport van joden – die zelf de reiskosten moeten betalen – naar de concentratiekampen nooit mogelijk is geweest. Business as usual… 

De christelijke overheid en haar collaboratie met de bezettende macht
Zoals gezegd, werkt het calvinistisch georiënteerde kabinet met aan het hoofd de gereformeerde Gerbrandy, vlijtig mee. Het confessioneel-christelijke kabinet Colijn bepaalt al in 1937 dat ambtenaren zijn gehouden hun medewerking te verlenen aan ‘maatregelen van een bezettende macht.’ 6 Tijdens de tweede wereldoorlog voorziet het perfecte registratiesysteem van de arbeidsbureaus en bevolkingsregisters – de overheid registreert ook dán al alles wat los en vast zit – de Duitse oorlogsindustrie moeiteloos van arbeidskrachten.

Dankzij de legendarische Nederlandse registratiewoede en overheidsmedewerking is drievierde deel van de joodse Nederlanders, gedeeltelijk met NS-materieel, afgevoerd en komt ons de twijfelachtige eer toe verantwoordelijk te zijn voor de deportatie en vernietiging van verhoudingsgewijs het hoogst aantal joden van heel Europa. Inmiddels is de registratiedrift van ons christelijke kabinet uitgedijd tot ongekende proporties… (lees: De ‘War on Freedom’ van kabinet Balkenende). Voor onze veiligheid, uiteraard…

Tijdens de ‘zuiveringen’ na de oorlog laat de overheid met name de kleinere overtreders terechtstellen, zoals de collaborerende melkboer op de hoek. Hun ondernemingen confisqueert zij en binnenlandse strijdkrachten kunnen je à la minute doodschieten voor het vergrijp. De topambtenaren en -mannen uit het bedrijfsleven blijven buiten schot, behalve als ze openlijk de zijde van de nazi’s hebben gekozen. Zij mogen ook hun vermogen – vaak uit oorlogswinsten – gewoon omzetten in nieuw geld, terwijl de rest van de bevolking in het kader van de geldzuivering genoegen moet nemen met het ‘tientje van Lieftink.’ Een officieel onderzoek naar de handel en wandel van deze elite heeft de overheid nooit gedaan.

Het door de overheid gelegitimeerd beroven en achterstellen van landgenoten
Na de oorlog is de sfeer nog steeds anti-joods. Ondanks hun onnoemelijk lijden krijgen de joden na terugkomst uit de kampen van de Nederlandse overheid een uiterst kil welkom. Veel uit Duitsland repatriërende Joden wacht hier opnieuw internering tezamen met hun voormalige beulen, SS-ers en NSB-ers, omdat zij thans worden beschouwd als burgers van het vijandige Duitsland. Een Auschwitz overlevende die aanspraak wil maken op een verzekering krijgt nul op het rekest: hij heeft te Auschwitz zijn premie niet op tijd betaald. Anderen hebben bezit genomen van hun huizen. Joodse kunstschatten, als de Goudstikker Collectie, zijn gretig geconfisqueerd door Nederlandse staatsmusea. Jarenlange rechtzaken moeten de eigenaren voeren om het bezit terug te krijgen.7

Ies Vuisje schrijft over het zelfbedrog, ontkenning en vervalsing door de overheid in de officiële Nederlandse geschiedschrijving van de jodenvervolging. Nationaal historicus Lou de Jong heeft de gegevens gemanipuleerd, aldus Vuisje: ‘Dat de Nederlandse regering al vroeg op de hoogte was van de genocide heeft De Jong verdoezeld. Als wetenschapsman heeft hij gefaald.’ De Jong conformeert zich gemakshalve aan ‘de mythe van het niet weten’ daar met name de niet-officiële pers al aan het begin van de oorlog melding maakt van het lot van joden in Duitsland.8

Tijdens het schrijven van dit artikel ontvang ik de volgende e-mail van de heer J.M. uit Den Haag:

Ooit van ‘pulsen’ gehoord? Nee, waarschijnlijk niet! Nou Puls was een verhuisbedrijf in Amsterdam, dat huizen leeghaalde als onze Joodse landgenoten naar de concentratiekampen waren gevoerd. Dat bedrijf heette Puls; vandaar de naam. Er was een levendige handel in Joodse goederen, bijvoorbeeld joods zilver, goud, kunstvoorwerpen, antiek, tapijten, juwelen: gewoon alles wat maar geld opbracht. Een neef van mij moeder deed dat in Den Haag. Is daar zeer rijk mee geworden en kon daar na de oorlog een groot garagebedrijf mee beginnen. Hij werd een grote Forddealer en natuurlijk niet vervolgd. Hij had warenhuizen vol met Joodse goederen! Dat waren lijkenpikkers! Mijn ouders waren bevriend met een Joodse familie H. Hij kwam uit een zeer rijk geslacht van zilverhandelaren. Die familie had een groot grachtenpand aan de Keizersgracht. Zij bezaten zilver, kunst en antiek. Die familie had dat pand vanaf de 17e eeuw in bezit. Verder bezaten zij schilderijen van Rembrandt, Ruysdael, Potter, Frans Hals en Vermeer en een grote verzameling antiek Chinees en Japans porselein. Hij kwam uit een gezin van 10 kinderen en zijn vrouw kwam ook uit een groot gezin. Heel zijn familie kwam om in de gaskamers en zijn vrouw en haar familie ook. Hij had een zoon, ene Peter (dat was een vriend van broer Max). Die had hij voor veel geld laten onderduiken bij boeren in de Noordoostpolder. Hij kwam terug uit Auschwitz en zijn zoon leefde nog. Hij trouwde met een vrouw, die hij ontmoet had in een concentratiekamp; ook zij was al haar familie kwijt. Hij kreeg zijn bezittingen nooit terug; waren in Nederlandse Musea terecht gekomen. Zijn huis was gebruikt geweest door de bezetter, de Duitse bevelhebber van Amsterdam en na 2e wereldoorlog door het Amerikaanse leger. Hij heeft nooit iets terug gezien van zijn bezittingen. Hij was voedselcommissaris voor de 2e wereldoorlog (hoge ambtenarenpost). Op de post zat een ex-NSB’er, een stevig katholiek gelovige Gristenbroeder. Hij kreeg zijn baan niet terug en meneer de NSB’er mocht blijven zitten. Ook werden huizen als van bijvoorbeeld de familie Roozenveldt (een radioverslaggeefster van de VARA en de VPRO) aan de Westermarkt, druk verhandeld tijdens de oorlog en daar zijn talloze voorbeelden van! Oh, Nederland was zo goed en Duitsland zo slecht!’

 

Voor vervolg over naoorlogse genocide Nederlandse overheid, klik hier.

Om terug te gaan naar deel IV, over o.a. mensenslachter Colijn, klik hier.

 

1 Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (inghist.nl)

2 Arie van der Zwan, ‘Hij overwon iedereen op een vrouw na.’

3 Hein A.M. Klemann, Nederland 1938-1948, p. 279

4 Hein A.M. Klemann, Nederland 1938-1948, p. 279

5 Groene Amsterdammer, De oorlog van Frits. 17-01-96. Zie ook economicexpert.com

6 Wikipedia 2008 over Collaboratie

7 Michal Citroen, ‘U wordt door niemand verwacht. Nederlandse joden na kampen en onderduik.’

8 Ies Vuisje, ‘Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in Nederlandse Geschiedschrijving over Jodenvervolging.

Klik hier voor deel 6

Door Jim Beame

download PDF-versie

Overgenomen van:
http://www.anarchiel.com/display/vier_en_een_halve_eeuw_calvinistische_normen_en_waardenloosheid_5

Dit bericht is geplaatst in Jim Beame. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *