Balkenende verheerlijkt handel in harddrugs

Dit artikel werd eerder al op 16-05-09 gepubliceerd op Anarchiel.com en wordt hier met toestemming van Jim Beam nogmaals onder de aandacht gebracht.

Klik hier voor de andere stukken van Jim Beame

Balkenende verheerlijkt handel in harddrugs

Balkenende voert zijn dappere strijd tegen paddestoelen en weedplanten. Zulke vieze dingen mag je niet verkopen in dit christ’lijk land! Neen, hij is daarin heus geen Don Quichote maar met verbeten lip en pagekapsel juist een stoer voorvechter van de calvinistische ‘haute morale.’ Eén type handel vormt echter een uitzondering op zijn kruistocht tegen het kwaad. Hier gelden alle bijbelnormen even niet. Maar daar heeft de staat dan ook heel, héél, ontiegelijk veel geld aan verdiend. Dat noemen we: Gods zegen. Dat maakt natuurlijk alles wel even anders!

Laten we blij zijn!
Wie aan Balkenende denkt, denkt ogenblikkelijk aan de VOC-mentaliteit. ‘Nederland kan het weer’, roept hij verrukt tijdens de algemene beschouwingen op Prinsjesdag.  ‘Nederland kan het weer!’ ‘Laten we blij zijn!’ We kunnen het weer! ‘Die VOC-mentaliteit.’ ‘Laten we blij zijn’: ‘Dynamiek! Toch?’  (Voor wie nog even wil nagenieten van Balkenendes gedenkwaardige redevoering, klik hier)

Eén persoon in de tweede kamer is duidelijk niet overtuigd: ‘Ik begrijp niet waarom u hier zo negatief en vervelend over doet’, tiert een rood aangelopen Balkenende, trillend en met het welbekende verbeten lipje. Het verwijt is geadresseerd aan een verveeld kijkende Femke Halsema die nog nét niet betrapt kan worden op kauwgombellen blazen en mascara aanbrengen tijdens Balkenendes wanhopige pogingen om haar tot inkeer te brengen van haar booze wegen. Waarom kijkt dit verdorven booswicht zo sceptisch als Balkenende zijn meest legendarische en eloquente VOC-toespraak aller tijden uitspreekt? Waarom doet zij in hemelsnaam toch weer ‘zo vervelend’ over ons trotse VOC-verleden? Waarom dan toch in ‘s Heeren naam? Wij zullen Balkenende in de komende eeuwen gedenken als redder van de nationale trots: onze noeste Hollandsche VOC-mentaliteit!

Een kopje koffie van de VOC, stemt zelfs den huistiran gedwee
U kent ze wel: de VOC-mannen, die ruwe bolsters met gouden harten die voor ons de elementen getrotseerd hebben om het gezellige Nederland van heerlijke thee, koffie en cacao te voorzien die wij gelukzalig nippen uit porseleinen kopjes van Oriëntaalse makelij tijdens de barre zeventiende eeuwse winterkou. Die fiere helden van weleer, die van verre kaneel, nootmuskaat, peper, kruidnagel, gember en foelie meebrengen uit pure liefde voor de Nederlandse huisvrouw opdat zij haar eentonige stampotmaaltijden een exotische flair moge verschaffen. Zijde brengen deze gulle weldoeners mee voor japonnen, ebbenhout ‘ende paerlemoer’ voor kabinetten. De ware VOC-mentaliteit! 

Zo is het gegaan want in alle geschiedenisboekjes valt het immers te lezen. Bovendien, Balkenende kan het weten als afgestudeerd historicus. Amsterdam is er rijk van geworden! ‘Toch?’ Een duidelijke blijk van de zegen des Heeren! Dan moet het goed zijn. Waarom moet uitgerekend mevrouw Halsema hier dan toch weer zo bijzonder vervelend over doen! ‘Laten we blij zijn!’ Die goeie, oude VOC-mentaliteit! 

De VOC: overheidsgesteunde handel in harddrugs
De meest winstgevende handel voor de VOC zijn niet uw kopjes koffie, chocola of thee maar harddrugs. In de ladinglijsten omschrijft de VOC deze koopwaar graag als het onschuldig klinkende ‘heulsap’, als ware het appelsap. Dit heulsap, ook amphioen genoemd, staat tegenwoordig bekend als opium. Opium is volgens kenners een van de meest gevaarlijke harddrugs; zó te roken of als grondstof voor heroïne. U leest het goed: harddrugs. De opiumhandel blijkt big business te zijn geweest voor onze nationale trots. Zij is vooral gericht op Chinezen, weldra resulterend in een verwoestende massale opiumverslaving en uiteindelijk de opiumoorlogen. 

Alfred W. McCoy, auteur van The Politics of Heroin: CIA Complicity in the Global Drugs Trade schrijft: ‘De uitzonderlijke winstgevendheid van deze lichtgewicht, kostbare koopwaar gaf een doorslaggevende prikkel leidende tot een escalerende Europese betrokkenheid in de Aziatische opiumhandel. Met name de Nederlandse VOC maakte een winst van 400 procent tijdens haar 1679 handelstochten.1 In de zeventiende eeuw heeft de VOC het monopolie op de opiumhandel vanuit de Bengalen, aldus Amar Farooqui: ‘Het was de belangrijkste handelswaar die door de Nederlandse onderneming (VOC) van de Bengalen naar de Indonesische Archipel werd getransporteerd. […] De hoeveelheid die werd geëxporteerd had eind 60er jaren van de zeventiende eeuw een behoorlijk omvangrijk niveau bereikt.2 

De VOC opereert uit naam van de Nederlandse Staat en verkrijgt van de Staten Generaal als eerste corporatie ter wereld het alleenrecht op handel en verregaande militaire, juridische en diplomatieke bevoegdheden. De opbrengsten gaan naar een kleine elite. De compagnie heeft al snel een ‘‘gezamenlijke promotionele actie’ ondernomen om de markt voor opium in Zuid Oost Azië te vergroten.’ ‘Tussen 1670 en de veertiger jaren van de achttiende eeuw was er bijna een achtvoudige toename van de winsten geïncasseerd door de VOC door de verkoop van Bihar opium’, schrijft Farooqui.3 In de daaropvolgende eeuwen groeit de overheidgesteunde handel in harddrugs uit tot één grote financiële successtory. Freek Kallenberg vat het als volgt samen:

‘De handel in opium of ‘heulsap’ was jarenlang de belangrijkste inkomstenbron van de VOC én de Nederlandse staat. Ook de Bataafse Republiek die de VOC opvolgde ging hier na 1800 vrolijk mee door. Pas in 1942 toen de Japanners de Nederlandse macht in het gebied braken, kwam er een einde aan de opiumhandel van de Nederlandse staat in dit gebied.4

Overname van de VOC-erfenis; de Nederlandse Staat als drugsbaron
Nederlanders zijn eeuwenlang betrokken geweest bij de opiumhandel en het belang voor de Nederlandse schatkist is groot. Als de VOC op 1 januari 1800 failliet is gegaan als gevolg van corruptie, dreigt de schatkist de inkomsten te verliezen. De lucratieve erfenis van de VOC moet worden beschermd. Gouverneur Generaal H.W. Daendels neemt direct maatregelen om de monopoliepositie op de import en distributie van opium voor de Nederlandse Staat veilig te stellen.5 Tot in de twintigste eeuw heeft de opiumhandel van de VOC haar nawerkingen. ‘De opbrengsten van de opiumhandel zijn in de negentiende, maar ook gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw van groot belang geweest voor de koloniale inkomsten van de Nederlandse schatkist’, schrijft Marcel de Kort.6 

In plaats van de VOC het vuile werk op te laten knappen is de Nederlandse overheid vanaf de vroege negentiende eeuw zélf drugsbaron dealend in harddrugs tot op detailhandelsniveau. Ach, de vraag is er toch? Dan kun je er maar beter aan verdienen! Dat is de houding van onze christelijke overheid als harddrugsdealer, zo blijkt uit het artikel van Jan van Ours in de NRC van 8 maart 2001. Normen en waarden, zegt u? Tja, die zet zij zolang even in de ijskast; als er pecunia mee zijn gemoeid is dat nu eenmaal traditie in het calvinisme. Gezien het grote succes van de opiumhandel begint de overheidsgefinancierde Hortus Botanicus te Java in 1883 met de kweek van uit Zuid Amerika ingevoerde cocastruiken. Weldra verschijnen de eerste plantages en in 1900 beleven wij de oprichting van een heuse Nederlandsche Cocaïnefabriek. In 1910 heeft Amsterdam de positie van wereldhandelsplaats van Hamburg overgenomen.7 Nederland is met vier cocaïnefabrieken tot de tweede wereldoorlog onder gereformeerde minister presidenten als Colijn, de grootste cocaïnefabrikant ter wereld.8 Goudgeld brengt de staatshandel in harddrugs op.

Andere aspecten van Balkenendes ‘VOC-mentaliteit’ om trots op te zijn
Behalve in drugs handelt de VOC op grote schaal in slaven. Deze handel is slecht gedocumenteerd omdat de slaven voor eigen gebruik zijn en niet voor de verkoop zoals bij de West Indische Compagnie. Een uitgebreide beschrijving hiervan alsmede het aandeel van ons vorstenhuis in de slavenhandel, vindt u in het artikel over Balkenendes spreekwoordelijk calvinistische tolerantie: ‘Vier en een halve eeuw calvinistsche normen- en waardenloosheid (III), De strijd tegen de menselijkheid.’ 

Daarnaast is de VOC ‘licenced to kill’; van staatswege bevoegd tot ‘oorlogshandelingen.’  Duizenden ‘inlanders’ laten dankzij de moordpartijen van de Hollandsche Übermenschen het leven. De VOC moordt onder andere de vijftienduizend zielen tellende bevolking van de Banda Eilanden in 1621 nagenoeg geheel uit en ‘zuivert’ Batavia in 1740 van Chinezen, alles ten behoeve van handelsbelangen.9 

Tijdens de feestelijke herdenking van de VOC-misdaden op 20 maart 2002 in de Ridderzaal, dankt de Indonesische Minister van Ontwikkeling Kwik Kian Gie een wat beteuterd kijkende koningin en de andere notabele erfgenamen van Balkenendes zo geroemde VOC met de woorden: ‘De VOC heeft duurzame schade aangericht in de Indonesische samenleving. De VOC is instrumenteel geweest in onderdrukking, exploitatie en machtsmisbruik.’ De VOC is een ‘uitzuigende poliep’ en een ‘paternalistisch monstrum.’ 

Drugs, slaven, moord- en roofpartijen. Toch wel sneu eigenlijk voor aanwezigen die nog steeds in het VOC-sprookje van louter koffie-thee-en-chocola geloven. Zou Balkenende echt geen notie hebben? Geen flauw idee? Nee, dat kan toch niet: hij heeft er immers voor gestudeerd!

 

Bronnen:

1 Alfred McCoy Opium History up to 1858 AD, www.a1b2c3.com/drugs/opi009.htm

2 Amar Farooqui, Smuggling as Subversion, blz 13.

3 Idem.

4 Freek Kallenberg, Roof, moord en plundering, Ravage, 5 april 2002.

5 Marcel de Kort, Tussen patient en delinquent, blz 45.

6 Idem, blz. 50.

7 Marcel de Kort, blz. 57-59.

8 Jeanette Groenendaal. Documentaire. De Nederlandse cocaïnefabriek (trailer).  

9 Symposium Wat valt er te vieren? 13 april 2002.

 

Door Jim Beame

download PDF-versie

Overgenomen van:
http://www.anarchiel.com/display/balkenende_verheerlijkt_handel_in_harddrugs

Dit bericht is geplaatst in Jim Beame. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *