Het Paradijs verhaal in Genesis (6 delig)

 

Het Paradijs verhaal in Genesis

Geschreven op 21 oktober 2005 door Evert Jan Poorterman

Hallo geïnteresseerden,

Gisterenavond ben ik naar een lezing geweest, georganiseerd door Ex Oriënte Lux, het Vooraziatisch-Egyptisch Genootschap. Afdeling Zutphen/Deventer nodigde prof. dr. A. van der Kooij uit voor een uiteenzetting over het paradijsverhaal in Genesis.

Voor het eerst zaten we in een ander lokaal en dat was wennen. Langzaam maar zeker stroomden de toehoorders binnen. Wat een drukte! Zelfs enkele jongere mensen voegden zich bij het gezelschap. De jongeman naast mij was onlangs zelfs lid geworden. Daarmee ben ik met mijn 51 jaren niet meer de jongste van de afdeling Zutphen/Deventer. Vlak voor tijd dook de spreker op en installeerde hij zich achter de tafel voor de klas. Naast hem de voorzitter, die hem introduceerde en vervolgens naast hem bleef zitten. Van der Kooij keek de hele avond brutaal en wijsneuzerig uit zijn ogen en keek ook als zodanig de toehoorders aan. Ook stak hij meermalen zijn duimen achter zijn revers alsof hij erg in zijn nopjes was. Hij had een ietwat eigenwijs kapsel en sprak als een dominee! Nu bleek zijn vader predikant geweest te zijn en bij navraag in de pauze aan hem, heeft hij het ook in zich; zijn studierichting is hooglereaar ‘Oude Testament’. Ziehier de basis voor een voorspelbare lezing, zonder het risico te lopen geschokt en onthutst het pand weer te verlaten.

HET PARADIJSVERHAAL IN GENESIS
tegen de achtergrond van literatuur uit Mesopotamië
(deel 1)

In Genesis 1 tot en met 11 wordt de schepping uit de doeken gedaan. Vanaf vers 12 vangt het verhaal van de mensheid aan, te beginnen bij Abraham, aldus van der Kooij. De mens (Adam) is geschapen om de aarde (Adamah) te bewerken. Hij vertelde er niet bij waarom de mens de aarde moest bewerken. Waarschijnlijk omdat GOD zelf te lui was, maar hij vertelde wel dat de mens de aarde moest bewerken, waar hij notabene zelf uit voortkwam en ook weer terug zou keren…

Genesis 3:19
‘In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren’.

Van der Kooij ziet GOD als een almacht die door Engelen wordt bijgestaan… Daarmee wordt ook het ‘ons’ in de bijbel bedoeld.

Genesis 1:26
‘En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij de heerschappij hebben over de visen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt’.

Volgens van er Kooij is er maar één GOD en slaat ‘ons’ dus op God en zijn Engelen. Samen dragen zij zorg voor de schepping en staan zij boven de mens. Opvallend is dat deze professor doctor eigenlijk geen idee heeft waarover hij spreekt en derhalve ook geen verhelderende antwoorden kon geven op de vragen die betrekking hadden op dat ‘ons’ en op waarom de mens geschapen werd. Toen van der Kooij zijn publiek vroeg waarom de mens geschapen werd,’antwoordde ik; ‘Omdat hij slaven nodig had’… De voorzitter keek mij vermanend aan, hoewel hij zelf ook geïnteresseerd is in het verhaal van Zecharia Sitchin.

Adam, de eerste mens was man en vrouw tegelijk… Een androgyn of hermaphrodiet wezen zou je kunnen zeggen. Kenmerken hebbende van de beide geslachten of juist helemaal niet. De mens was in elk geval niet in staat zichzelf voort te planten. Daarom schiep GOD later een nieuwe mens die dat wel kon…

Genesis 1:27
‘En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze’.

God plaatste de mens in de paradijshof in Eden. In de tekst die van der Kooij uitdeelde lezen we;

En God, de Heer, plantte in het oosten in Eden een tuin en plaatste daarin de mens die hij had gemaakt. Ah! nu wordt duidelijk waarom GOD de mens schiep. Hij wilde een tuin in het oosten hebben, in Eden en daarin zou de mens de aarde/bodem moeten bewerken. Dus toch slavenwerk! Eden was volgens hem een land dat oostelijk lag van de rivieren de Eufraat en de Tigris. Eden was gewoon een land, waar het paradijselijk mooi was. Volgens Sitchin is Eden E.DIN en dat zou een raketbasis zijn… Een plek waar de goden naar de Hemel konden reizen en weerkeren op onze planeet.

Als ik kijk naar het Gilgamesh-Epos, naar de omzwervingen van de held Gilgamesh en zijn vriend Enkidu, dan zie ik dat de beide mannen een gebied willen betreden dat afgeschermd of beveiligd is. Zij trekken op naar de Libanon, waar een raketbasis zou liggen. Daar is de poort naar de Hemel, naar de goden. Het is Utnapstim die er de baas is. Dit gebied kennen we nu als de Baälbek. De archeologische plek in Libanon waar enorme stenen plateau’s liggen en stenen van honderden tonnen zwaar. Het ligt in de Beka-vallei. Het ‘monster’ Humbawa zorgt ervoor dat elke indringer gedood wordt…

Ellert en Brammert

In het Drenthse volksverhaal over Ellert en Brammert komen we een dergelijk element ook tegen. Hier hebben de beide ‘reuzen’ draden gespannen over de heide. Als er iemand tegenaan loopt, klinkt in de grot van de reuzen een belletje en weten zij presies waar de indringer zich bevind. Deze wordt vervolgens opgespoord en gedood. Het hoeft hier niet om echte draden te gaan maar kan evengoed om ‘laserdraden’ gaan en de belletjes in de grot mogen we misschien inwisselen voor een ‘kontrole-kamer’ op de raketbasis.

Elke E.DIN was dus afgescheiden van de buitenwereld en onbevoegden konden hier niet zomaar in. Een beveiligingssysteem garandeerde dat. Elke raketbasis had een kontrole-kamer, pakhuizen, hangars en silo’s en uiteraard onderkomens voor het personeel. Verderop moeten er wooneenheden hebben gestaan, een school voor de kinderen, een sportcomplex en sportvelden, sauna en zwembad; kortom alles wat nodig is voor een afgescheiden groep. Mannen, vrouwen en kinderen leefden op de basis, net zoals de mensen die ver weg werken aan havens in Saudi-Arabië of Bahrein. In afgescheiden complexen wonen ook de vrouwen en kinderen van de ‘baggeraars’ en dijkenbouwers in den vreemde.

Zo had ook elk E.DIN een gebied waar de akkers, boomgaarden, de weiden en de tuinderijen gelegen waren. In het Drenthse E.DIN was dat in het noorden. Het is aannemelijk dat wat nu de stad Groningen is, eens het gebied van de gaarden was. Een rasechte Groninger vertelde me dat sommige ouderen de stad ook wel de ‘Tunen’ noemden. De tuinen dus! Bovendien lijkt de naam Groningen afkomstig te zijn van de naam Gron (en Grun/groen). Grappig is dat ten zuiden ervan het Drenthse Norg ligt! (dat ontdekte de Texelaar Gelein Jansen, althans de omdraaiing Gron-Norg). De goden en aan hen verwante mensen leefden op zichzelf en wisten zich ook in onderhoud te voorzien. Geen wilde dieren die de oogst kwamen opeten, geen roversbenden die het vee kwamen stelen en waarschijnlijk werden de groenten in kassen verbouwd. Dus toen GOD Adam in de hof plaatste, moest deze harken, schoffelen, planten water geven, de boel bemesten, plukken, zaaien en oogsten, koeien melken en allerlei ander werk doen zoals dat op een boerderij en tuinderij voorkomt!

Dit had van der Kooij moeten vertellen natuurlijk, maar hij heeft slechts onderzoek gedaan naar wat de bijbel ons vertelt, hoewel hij wel weet heeft van de Mesopotamische literatuur. Hij heeft het zelfs even gehad over het Gilgamesh-Epos en over de Adapa-verzen. Paradijs komt van het Griekse Paradeisos en dat was een gebied op aarde, aldus van der Kooij, dat we moeten zien als een parklandschap. Geordend en aangelegd. In het Gilgamesh-Epos bezoekt de held Gilgamesh Utnapstim, de bijbelse Noach (NU.AG) en deze woont ‘ver buiten de bewoonde wereld’ – op een eiland zelfs. Van der Kooij meent dat het zelfs het legendarische eiland Dilmoen (DIL.MUN) kan zijn. Het was een plek van ‘Gelukzaligheid’. Ook de Hesperiden in de Odyssee van Homeros worden de ‘eilanden van gelukzaligheid’ genoemd… en dat zouden de Caraïbische eilanden zijn. Kennelijk zijn er meer van dat soort plaatsen op onze planeet geweest. De Assenaar Raymond ten Berge meent zelfs dat Drenthe het uit de Odyssee bekende eiland Ithaka is. Een beetje warm is hij wel; Drenthe was vroeger een eiland. Niet een die midden in zee lag, nee de zee stroomde er omheen. Vanuit de Dollard, de Lauwerszee en de inham bij Blokzijl/Giethoorn stroomde de zee landinwaarts, waardoor een natuurlijke begrenzing van het er binnen gelegen gebied was. Verder strekten grote moerassen (Hunen genaamd) zich uit van Groningen naar het zuiden, rechts van de Drenthse Hondsrug, onder Emmen tot aan Meppel en in de Friesche wouden, ten westen van het driehoekige eiland… Waarvan dan ook de naam Drenthe stamt. Drent, trent, drie/three/drei… het afgescheiden gebied was driehoekig van Groningen naar Emmen en verder naar Havelte en weer naar boven naar Groningen…

In den hof plantte GOD een hof met bomen en struiken… en daar zou de slaaf Adam gaan werken.

Genesis 2:8
‘Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar een mens, dien Hij geformeerd had’.

Genesis 2:9
‘En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, gegeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en den boom der kennis des goeds en kwaads’.

Van deze bomen mocht de mens niets eten.

Genesis 2:17
‘Van alle boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; Maar van den boom der kennis des goeds en kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven’.

Van der Kooij loerde over zijn brilletje om te zien of het tot ons was doorgedrongen wat de Heere God de mens verboden had en desondanks toch deed wat niet mocht. Het was de slang die tegen het gebod van God inging en de mens verleidde. Daarover de volgende keer meer in deel 2.

Evert Jan Poorterman

Overgenomen van:
http://2012.forum2go.nl/het-paradijs-verhaal-in-genesis-2005-t1479.html

Klik op pagina 2 voor deel 2

Dit bericht is geplaatst in Evert Jan Poorterman (Sitchin/Anunaki/Nibiru). Bookmark de permalink.

Één reactie op Het Paradijs verhaal in Genesis (6 delig)

  1. Gold Price schreef:

    In Exodus zien ook we terug dat God met niemand kan worden vergeleken. Toen Gods volk uit de handen van de Farao moest worden bevrijd, vroeg Mozes aan de Here: wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? (Exodus 3:13-14). God antwoordde: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *