Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel – Deel 1

 

Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel – Deel 1

Marcel vervloesemBordmorkhovenMarcel Vervloesem opnieuw achter de tralies1

Deel 1.

Als baby denk je geboren te zijn in een wereld van liefde en huiselijke warmte. Mijn leven begon echter geheel anders.

In het bos van Noorderwijk stond een bouwvallig huisje. Er was geen elektriciteit, water en gasvoorziening. Het enigste licht bestond uit een campinglichtje. Het water diende gehaald te worden bij bewoners in Noorderwijk via een zinken ton op een kruiwagen. In de winter werd er sneeuw gesmolten op een stoof die stuk was en waarbij de rook langs alle zijden ontsnapte en de kleine ruimte vulde. Het ontbrak aan warmte en in de winter viel de sneeuw langs het dak het huisje binnen en werden de raampjes versierd door de ijstekeningen. Armoede en ontbering waren er troef. Het enigste vertier van mijn ouders was het bier en de alcohol.

Mijn broertje Jozef was 14 maanden oud toen ik op 7 oktober 1952 in het moederhuis van Lier ter wereld kwam. ik besefte toen niet in welke wereld en omgeving ik terecht was gekomen. Een jaar later kwam mijn zusje Marleen ter wereld. Er was geen wieg of kinderbedjes om ons te slapen te leggen dus sliepen wij op de koude grond waarbij de enigste beschutting een hoopje stro was. De centen die karig waren werden verbrast in de plaatselijke drankgelegenheden terwijl wij als kinderen verlaten werden achtergelaten.

Het was in die omstandigheden dat de plaatselijke Veldwachter ons in dat kleine huisje aantrof, uitgehongerd, ziek en onderkomen, liggend op het vuile stro dat met sneeuw was bedekt. Het kon dan ook niet anders dan dat de Jeugdrechtbank van Turnhout bevel gaf om ons met spoed uit dat huisje weg te halen. Dat ging niet zonder slag of stoot en er diende Rijkswachtversterking opgetrommeld te worden alvorens de sociale dienst van de Jeugdrechtbank ons kon meenemen.

Bij gerechtelijk bevel werden wij toevertrouwd aan het kindertehuis St Barbara in de Gasthuisstraat in Balen Neet, beheerd door zusters van liefde en werden onze ouders al even vlug ontzet van de ouderlijke macht. Het betekende meteen het einde aan de mensonterende omstandigheden waarin wij piepjong hadden verkeerd.

Mijn leven als peuter in het weeshuis kon beginnen.

Deel 2.

In het weeshuis leerde ik wat elektriciteit, water en verwarming was. In plaats van op vuil stro te slapen had ik nu een bedje met een dekentje en op tijd een warme fles pap en eten. Mijn toestand was zo slecht door de ondergane ontbering dat het weken geduurd heeft alvorens ik als peuter op mijn plooi ben gekomen. Volgens de zusters was ik een erg stille peuter die telkens in een hoekje kroop en ieder menselijk contact weerde. Het speelgoed dat ik kreeg bleef onaangeroerd en ik was vaak ziek. Het verblijf in het ouderlijk huis had diepe sporen achter gelaten.

Naarmate de maanden verstreken kwam ik er langzaam boven op en werd ik herenigt met mijn broertje en zusje en begon het sociaal contact terug te ontstaan. Na verloop van tijd mocht ik overdag naar de kleuterschool in Balen Neet en deed er mijn middagdutjes. Het moet de zusters van die school opgevallen zijn dat ik een iets wat terug getrokken en bange kleuter was.

Omdat ik van het weeshuis afkomstig was kreeg ik af en toe van hen wat lekkers toegestopt en mocht ik de kippen op school te eten geven. Dat liep niet van een leien dakje, ik was verschrikkelijk bang van die dieren, en ofschoon ze veilig achter de draad zaten wierp ik het eten van op verre afstand in de ren en maakte mij snel uit de voeten. Het waren op zwarte piet na de bangste momenten in mijn kleuterleven.

Mijn kleuterjaren verliepen in het tehuis zonder zorgen. Ik had in die jaren ook niet de minste reden om mij zorgen te maken. Er werd voor ons goed gezorgd en ik beschouwde de zusters en opvoeders als mijn ouders. Op mijn vijfde verjaardag kreeg ik mijn eerste fietsje, het duurde even voor ik er mee uit de voeten kon. Aan het weeshuis was er ook een ouderlingenafdeling verbonden. Dat maakte dat ik geregeld met mijn fietsje door de gangen van die afdeling scheerde, tot groot ongenoegen van de verantwoordelijke zuster aldaar en tot jolijt van de bejaarden. Er werd mij duidelijk gemaakt dat het beter was om in de tuin mijn fietsvaardigheid te hanteren wat ik veiligheidshalve dan ook maar deed.

Met mijn eerste voetbal verliep het niet zo best, een fikse trap tegen het kleurrijk ding deed de bal in een ruit terecht komen. Ik leerde al vlug wat een inbeslagneming betekende. De bal ging voor drie weken veilig achter slot en grendel. Als straf voor mijn onterecht misdrijf mocht ik in de tuin boontjes helpen plukken. Voortaan zou ik mijn vaardigheden maar toeleggen op het vissen. Met een tak uit de bessenstruik, waarvan ik lekker de besjes had verorberd maakte ik mijn eerste vislijntje, waaraan een oud manneke een haakje voor mij maakte. Urenlang heb ik getuurd naar het doppertje dat uit een kurken stop bestond. Lang duurde het niet alvorens mijn visstokje in bewaring ging. De zusters waren bang dat ik in het diepe water zou terecht komen. In ruil kreeg ik een visbokaaltje met een Goudvis, voor mij was dat een mooie ruil. Ik was er best tevreden mee.

deel 3.

Door de jaren heen werd het weeshuis mijn thuis. Ik was er best tevreden en het was gezellig met de andere kinderen. Verjaardagsfeestjes, Pasen, Sinterklaas, Kerst het waren altijd redenen om te vieren. Omdat ik ouder werd wisselde mijn verblijf met de kleinsten naar een verblijf voor de iets wat oudere jongens en was ik voortaan bij mijn broer Jozef die mij er al snel deed thuis horen. Mijn oogjes bekeken het leven vanuit een andere hoek.

Bij de speeltuin was er een gebouwtje dat al mijn aandacht genoot. Het bestond uit twee aparte lokaaltjes met hoog boven de deuren een wazig raampje. Ik had tijdens het spelen gezien hoe de zusters en af en toe de politie er wat binnen brachten onder een wit laken. Een paar dagen later merkte ik dan telkens een zwarte wagen met op het dak een kruis. Ik leerde dat dit het gemeentelijk dodenhuisje was waar de zusters zorg voor droegen. Het boezemde mij als knaapje erg veel angst in. Aan het dodenhuisje stond een kastanjeboom en ofschoon ik verlekkerd was op die kastanjes bleef ik angstvallig op afstand. Zo leerde ik dat mensen niet onsterfelijk waren en de dood alom aanwezig was, mede gelet op het bejaarden tehuis en de vele ongevallen. De confrontatie met mensen dewelke huilend de gebouwtjes binnen en buiten liepen was dan ook de reden dat ik voortaan niet meer naar de speeltuin ging, ik was bang erg bang, ze mochten voortaan hun kastanjes zelf gaan rapen.

De vijver in de tuin bleef haar aantrekkingskracht behouden en werd mij bijna fataal. Het ijs was uitstekend om met de slee er op te spelen. Het was prettig, gewapend met dikke kledij, handschoenen en wollen laarzen was ik klaar om vertier op de dichtgevroren vijver te zoeken. Lisetje, het dochtertje van een opvoedster was mij voor. Plots een gekraak en getier en Lisetje zakte door het ijs. Zonder enig gevaar te beseffen kroop ik naar haar toe en kon haar grijpen. Mensen kwamen op het getier toegelopen en haalden haar uit de vijver, jammerlijk genoeg schoof ik op het gladde ijs uit en belande plots in het ijskoude water. Ik werd gered. Dagenlang heb ik met rillende koorts op het ziekenkamertje gelegen. De huisarts van het weeshuis stelde een longontsteking vast. De zusters gaven me extra zorg en Lisetje herstelde. Ik kreeg later van haar als dank een zak snoep. Ik zou nooit meer op een bevroren vijver gaan. Dat stond vast.

In de lagere gemeenteschool van Balen Neet werd het voor mij iets wat lastiger. Sommige jongens noemden mij het gestichtskind en weerden mij bij hun spelletjes. Ik begon mij dan ook vragen te stellen waarom ik geen vader en moeder had. Dat werd nog erger omdat veel kinderen in het weeshuis bezoek kregen en op vakantie mochten, terwijl Jozef, Marleen en ik nooit iemand op bezoek hadden, laat staan op verlof konden. Vragen hierover bij de zusters brachten geen klaarheid en zo bleef alles bij het oude. Gelukkig mocht ik sindsdien met opvoedster Julia af en toe voor een paar dagen bij haar logeren. Ik leerde dan ook het buitenleven in een echt gezin kennen.

deel 4.

Drie dagen voor mijn eerste communie werd ik voor het eerst het slachtoffer van geweld. De zusters hadden alles voor mijn communiefeest in gereedheid gebracht. Nieuw kostuumpje, hemd, schoenen en een horloge. Het zou feest worden.

Aan de spoorweg die vlak bij de gasthuisstraat was gelegen stapte ik met mijn boekentasje naar het weeshuis toe. Verschillende schoolgenootjes begonnen in koor te roepen dat ik een vuil gestichtskind was. Meteen begonnen ze mij met stenen die op de spoorweg lagen te bekogelen. Verschillende van die projectielen raakten me in het gezicht. Verbijsterd en verrast bleef ik staan en kreeg nog meer stenen te incasseren. Ik voelde het bloed over mijn gezicht naar beneden lopen terwijl de bloeddruppels op mijn kleding rode plekken vormden en de jongens stonden te lachen met het behaalde resultaat.

Een Rijkswachter die bijna gelijktijdig zijn brigade iets wat verder verliet, zag mij daar hopeloos en al bloedend staan. Samen met een intussen toegesnelde spoorarbeider bracht hij mij direct de brigade binnen. Ik werd er meteen verzorgd en met de zwarte Rijkswachtjeep naar het weeshuis gebracht. De zusters waren in alle staten en een inderhaast bij geroepen arts gaf mij de vereiste zorgen. Dagenlang liep ik met een dikke lip, gezwollen kaak en ogen rond met verschillende hechtingen me afvragend waaraan ik dit verdiend had. Mijn broer Jozef was woest en wilde net zoals de zusters en de Rijkswacht weten welke schoolgenoten mij gestenigd hadden. Ik heb hun naam nooit prijs gegeven.

Het voorval was uiteraard het gespreksvoorwerp op mijn school. Mijn meester haalde zwaar uit, hij kon niet tolereren dat zoiets gebeurde. Ik zat er met tranen in de ogen bij en besefte dat ik inderdaad maar een gestichtskind was. Na het voorval mocht ik plotseling wel meespelen en kwamen de jonge daders mij in het weeshuis bezoeken. Voor mij was de zaak afgedaan.

Een van mijn belagers werd nadien mijn beste vriend.

Deel 5 .

Het voorval met de steniging bleef voor wrevel zorgen. Mijn broer Jozef die in het weeshuis de naam Seppe droeg was niet van plan om het aangedane leed aan mij zonder gevolg te laten. Op school zocht hij met zijn vrienden uit wie de daders waren. Het duurde dan ook niet lang voor hij ze te pakken kreeg. Samen met wat oudere jongens uit het tehuis wachtte hij ze na de schooluren op en pakte ze met zijn vrienden stevig aan. Dit bleef niet onopgemerkt. De meester zag wat er voorviel en riep hen daags samen met de Seppe op het matje. Allen kregen zij straf en moesten nablijven op school met extra huiswerk. Zo leerde ook de Seppe dat hij niet het recht in eigen handen mocht nemen. In de klas zat ik niet meer alleen met verwondingen.

Maanden later werden Eddy mijn vriend en ik misdienaar in de kapel van de zusters. Hiertoe werden we verzocht om latijn te leren. Het boekje dat we daarvoor kregen was voor ons onverstaanbaar tot de priester ons hierin ter hulp kwam. Twee weken later was ik die taal machtig, erger was het gesteld met Eddy zijn kennis van het latijn. Tijdens onze eerste mis viel hij zo uit de toon, dat ik tijdens de eredienst in een schaterlach uit barste meteen gevolgd door de andere kinderen en dit tot groot ongenoegen van de zusters en de priester en de andere aanwezigen. Een oude vrouw pakte mij na de mis aan en waarschuwde dat wij in de hel zouden branden. Onze lieve Heer zou ons wel straffen volgens haar betoog. Achter de gebruikelijke cent die naar gewoonte na de eredienst aan de misdienaars werd gegeven mochten wij alvast fluiten.

Het leven van misdienaar vergde veel tijd en inzet. De missen werden erg vroeg gehouden, in feite op een uur waarop kinderen geacht werden nog te slapen. Om het werk te vergemakkelijken besloten de zusters om Eddy en mij samen op een kamer te plaatsen. Zo konden zij ons in de vroegte wekken voor onze taak. Onze taak bracht ook voordelen. Elke mis betekende een cent, een huwelijksmis tien cent, een begrafenis vijf cent en een lof leverde ons een halve cent op. We leerden al vlug wat het ware Kerkelijke leven was en naar de aard van de plechtigheid droegen wij de bijpassende misdienaars kleding. Rood met wit voor de gewone missen, zwart met wit voor uitvaarten, een wit paterspak hoorde dan gedragen te worden bij huwelijken en Kerkelijke feestdagen. De echte hoogdagen waren voor ons de begrafenissen, deze betekenden steeds een halve dag geen school wat mooi meegenomen was.

In het weeshuis werd er een weddenschap gehouden. Volgens de grotere jongens moesten Eddy en ik bewijzen dat we goede misdienaars waren. De opdracht was een dikke vlieg in de kelk met wijn te werpen en die te serveren aan de priester. Om het bewijs te leveren dat we de opdracht uitvoerden moesten wij er voor zorgen dat de micro aan bleef staan om de commentaar van de Eerwaarde te kunnen horen. En zo gebeurde, op het moment dat Eddy en ik het schaaltje met het water en de wijn plechtig naar de priester brachten spartelde een dikke vlieg in de gegeerde wijn. De priester die te laat zag welk ongedierte in zijn wijn lag, sprak stilletjes, en zag de vlieg niet, te laat !. Het beestje belande in zijn kelk en iedereen in de kapel kon horen wat de priester zegde, ook de zusters. De groten die ons hadden opgestookt zaten op de eerste rij met een onschuldig engelen gezicht. De vlieg was na het uitdrinken van de kelk nergens meer te bespeuren. De opdracht was geslaagd. Als misdienaar viel er erg veel te beleven.

Deel 6.

Als er een sterfgeval was in Balen Neet was het de gewoonte dat de misdienaars de priester vergezelde om de laatste sacramenten toe te dienen. Het was een hele klus, omdat die taak te voet werd uitgevoerd en het kruis dat we meedroegen hoog boven onze hoofdjes uitstak. De priester volgde dan met zijn noodzakelijke materialen. Bij nacht droegen wij ook een lantaarn mee en liet een klokje horen onderweg dat we er aan kwamen. Na een poosje deed het mij niets meer om stervenden te zien. Het werd een gewoonte. Het enigste probleem was dat het Eddy en mij aan slaap ontbrak, mede omdat wij een dubbele taak kregen en ook misdienaars waren in de grote kerk van Balen Neet. Kwam daarbij dat we samen in beide kinderkoren van de Kerk en de Kapel de heilige liederen zongen. Gelukkig was er een beurtrol en wisselden de misdienaars van dienst. Ik leerde al vlug dat er ook binnen de kerk er een verschil bestond tussen de armen en de rijken.

Op de begrafenis van een zus van de Voorzitter van het plaatselijke o.c.m.w., zijnde de sociale dienst werd ons verzocht om extra goed ons best te doen. Het verzoek was ons heilig. Drie priesters en drie misdienaars waren aanwezig. De klokken werden extra lang geluid. Eddy zette de kerkdeuren extra wijd open en de Seppe die instond voor het wierook deed extra kooltjes op het vuurtje. Over de wierook moest men alvast niet klagen, er was zoveel rook dat het moeilijk was om er door te zien. De dode werd alle eer aangedaan. Er dienden extra teksten in het latijn gelezen te worden, een taak die ik dan weer uitvoerde, volgens mij heeft de overledene er geen woord van verstaan. Kortom men was uiterst tevreden met het door ons geleverde werk. Velen werden in heel wat andere en mindere omstandigheden zonder het rijkelijke wierook ten grave gedragen.

Aan katte kwaad ontbrak het niet in de Kapel en Kerk. De Seppe die daarvoor een uitbrander had gehad van de Eerwaarde en hierdoor een week kamer arrest kreeg van de zusters nam die nacht wraak. De ontsteltenis was bijzonder groot in de Kapel toen bleek dat de Heilige St Barbara een dikke zwarte snor onder de neus had gekregen. De zwarte snor stak fel af op de witte kleur van het beeld. Meteen mocht Seppe op het matje komen bij moeder overste. Hij kreeg een borstel aan een lange steel, een emmer met bleekwater en de opdracht om de zwarte snor van het beeld te verwijderen. Eddy en ik hadden nog wat klusjes in de sacristie en konden het bewonderingswaardig schoonmaakwerk van de Seppe gadeslaan. Hij was zo hevig dat plots het hoofd van de heilige van het beeld viel. Wat kon er erger zijn dan een heilige die onthoofd was. Klosje de koster van de Kapel die in feite het schoonmaakwerk had moeten bijwonen maar elders was, zat ook in de nesten. Het was hilarisch, wat een toestand!.

De koster had al vlug een oplossing mede omdat ook hij zijn velletje moest redden. Hij haalde snel uit zijn winkel wat verder gelegen een emmer met lijm en een pot witte verf. De snor werd overschilderd terwijl de Seppe een dikke laag lijm aanbracht om het hoofd terug aan het lichaam te kleven. Maar er dook een ander probleem op, de lijm was bruin van kleur en door het aandrukken van het hoofd, liep de lijm vinnig uit. De Heilige kreeg op die manier een halsband. Seppe vond niet beter om een rood sjaaltje uit de ouderlingenafdeling te gaan halen en de bruine lijm met dat sjaaltje te bedekken.

Ik bestierf het van de pret en zag het gezicht van moeder overste toen zij het kunstwerk bekeek, de snor was weg maar nu droeg de Heilige een rode sjaal met witte bollen. De Seppe was langs geen kant meer te bespeuren. Het beeld werd tenslotte verwijderd en door een werkman hersteld. De Seppe was er aan hij had nu twee weken kamer arrest. Die dag hebben Eddy en ik wat afgelachen in de Kapel en kregen toen een zuster dat hoorde twee dagen kamer arrest. Met heiligen mocht er niet gespot worden stelde de zuster.

Wordt Vervolgt

Kik hier voor het volgende Deel

Dit bericht is geplaatst in pedofilie satanisme en kindermisbruik met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *