Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 2

 

Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 2

Marcel vervloesemBordmorkhovenMarcel Vervloesem opnieuw achter de tralies1

Klik hier voor het eerste Deel

Deel 7.

Het kamer arrest viel Eddy en mij sterk tegen, tenslotte hadden wij de geviseerde Heilige geen druppel kwaad aangedaan. Ook wij zouden een paar weken later revanche nemen. Een oud moederke was gestorven en diende begraven te worden. De gewoonte was dat er dan voor het altaar een katafalk gezet werd die dan bekleed werd met een zwarte doek met een zilveren kruis met langs de zijkanten vier grote kaarsen. Het was onze taak om die katafalk te plaatsen. In normale omstandigheden was de opening langs de zijde waar de dragers de lijkkist naar het altaar droegen. Groot was de verbazing van de Priesters toen de dragers de kist van hun schouders haalden en deze in de katafalk wilden schuiven. Dit ging niet want Eddy en ik hadden de opening immers langs de kant van het altaar voorzien. Plechtig zetten de vier dragers de kist neer, pakten elk een kaars om terzijde te zetten, hieven vervolgens de katafalk op en draaiden hem in de juiste richting, plaatsten de kaarsen terug en schoven de kist met de overledene in de katafalk. Waren de ogen van de priesters kogels geweest dan waren Eddy en ik ongetwijfeld dood. De revanche was genomen en ook ons arrest werd verlengd.

Ik voelde mij een paar dagen later niet goed bij wat wij de overledene hadden aangedaan ik gebruikte mijn gespaarde misgeld, kocht wat bloemen en legde deze wat later met Eddy neer op haar graf. Het was in het weeshuis soms een hele bedoening omdat wij met vijfentwintig jongens waren. Bij de meisjes die elders waren ondergebracht mochten de jongens hoegenaamd niet komen. Het was in die omstandigheden dat er een oplossing werd gezocht en gevonden om in contact te komen met de meisjes. Die oplossing bestond uit twee speelgoedtelefoons die met een lange draad aan elkaar waren gekoppeld. Het duurde uren alvorens we de verbinding bij nacht hoog op het dak tot stand konden brengen. Zodat de jongensafdeling via de slaapkamers met deze van de meisjes was verbonden. De inwijding gebeurde in ons aller bijzijn en het gesprek werd opgestart, tot onze verbijstering was het een zuster die de telefoon opnam, onze nachtelijke operatie was voor niets geweest en zou ons een berisping opleveren.

Eddy en ik waren door de voorbije jaren echte vrienden geworden. samen maakten wij heel wat pret mee, maar ook veel ellende. Wij hadden voor elkaar geen geheimen. Ik was verbaasd toen een van de grootste jongens mij uitnodigde om op zijn kamer mee een gezelschapspelletje te komen spelen. Niets vermoedend en mij van geen kwaad bewust liep het die avond grondig mis. Ik werd het slachtoffer van seksueel misbruik en kreeg de dreiging dat ik met niemand hierover mocht spreken, anders zou er mij wat overkomen. Ik zat zwaar in de problemen mede omdat dit zich herhaalde en mijn belager om de haverklap seksuele handelingen op mij pleegde. Ik durfde er met niemand over te praten en kon in feite er ook nergens mee terecht. Zelf was ik maar een klein ventje en had geen verweer. Naarmate de tijd verliep nam ook een tweede van de oudste jongens hieraan deel. Ik zat voortdurend wakker en de slaap vatten viel steeds moeilijker. In school viel tijdens de lessen mijn concentratie weg . Ik was nu niet enkel maar een wees, ik was nu ook een slachtoffer van seksueel geweld en misbruik. Het besef groeide dat ik dringend mijn ouders moest gaan zoeken om te kunnen ontsnappen aan dit gebeuren. Zo besloot ik samen met Eddy op zoek te trekken naar mijn ouders.

Deel 8.

Het moet een hele verrassing geweest zijn toen de zusters die Eddy en mij wilden wekken voor de mis enkel twee lege bedden aantroffen. Met elk een zakje boterhammetjes en wat snoep en het gespaarde zakgeld waren we in de nacht op onze zoektocht vertrokken. Met de trein vertrokken wij uit het station in Balen Neet en reisden tot in Antwerpen om van daar uit al liftend verder te trekken. Volgens ons was de wereld immers klein en zouden wij gemakkelijk vinden waar we naar zochten. Al snel ondervonden wij dat het wel heel anders lag.

Al zwervend trokken wij door dorpen en steden en sliepen buiten en in een enkel geval in een geitenstal. Het was koud. Er was een verschrikkelijke stank in die stal. Onze trektocht werd een echte tegenvaller. Het voedsel en de centen waren snel op en gewoon terug keren leek ons geen optie. De zusters hadden intussen de politiediensten van onze verdwijning ingelicht waarna er gezocht werd naar ons. Eddy en ik waren nu geseind als vermist.

Niemand had enig vermoeden waar wij naar toe waren, wat er was gebeurd en of wij nog in leven waren. Seppe was in alle staten en kamde met de andere jongens de gebouwen uit van het weeshuis, vruchteloos. De politie ondervroeg een aantal schoolvriendjes zonder resultaat. De zusters waren dan ook erg ongerust, zelfs de vijver werd onderzocht omdat men dacht dat we mogelijk verdronken waren.

Het was een jonge vrouw die ons een lift gaf en de verdwijning had gehoord onopgemerkt de politie had gebeld. Tot onze verrassing werden wij opgepakt. In het politiebureel kregen we warme choco en een boterhammetje. In de namiddag haalden de zusters ons op. Het eerste gedacht was dat we nu helemaal in de problemen zaten, maar tot mijn verrassing kregen wij geen bolwassing en werden liefdevol terug opgenomen in het weeshuis.

Het was Seppe die mij een flinke bolwassing gaf, wenend vroeg hij mij waarom dit alles en wat ik dacht hoe hij zich bij mijn verdwijning gevoeld had. Ik besefte dat ik erg dom was geweest en hem verdriet had aangedaan. Ik moest hem en de zusters beloven niet meer op trektocht te gaan. Uit gewetenswroeging schonk ik hem mijn kaartje voor het optreden van Wil Tura in de tent hetwelke ik gekocht had met mijn misgeld. Hij was er erg blij mee, ikzelf kon niet naar het optreden, het was mijn eigen stomme fout.

Deel 9.

In het weeshuis was het een komen en gaan van vele kinderen, ieder had zijn eigen problemen. Ikzelf onze Seppe en Marleen hadden ons goed ingeburgerd. Ik had dan ook veel om handen. Buiten mijn optreden in de koren en misdienaar spelen was ik intussen met Eddy bij de Chiro jeugdbeweging in Balen Wezel gegaan. Kwam daarbij dat ik bevriend was geworden met rijks veearts Diercks die recht tegen over het home zijn praktijk bezat. Dat maakte dat ik geregeld in mijn vrije tijd met hem in zijn twee pk citroën mee op toer mocht gaan. Op Zondagen dat de plicht hem riep bleef ik op post bij de telefoon in zijn praktijk en belde de binnen komende oproepen door aan hem. Aan snoep ontbrak het er niet en de Tv was voor mij een aangenaam tijdsverbruik. De telefoonwacht bracht ook steeds wat centjes in het laadje.

Al snel kenden de boeren en boerinnen mij en mocht ik soms proeven van de boerenvla en kost. De trek en zoektocht naar mijn ouders was dan ook al snel vergeten. Het katte kwaad bleef echter in het bloed zitten. Dat uitte zich toen ik bevorderd werd tot ridder en samen met mijn vrienden een vervallen kasteeltje langs de baan van Balen Neet naar Mol met het zwaard moest verdedigen tegen de vijand. Het ridderspel liep danig uit de hand nadat wij met behulp van een balk steeds maar hogerop in verdediging gingen. Niets aan de hand dachten wij tot Eddy de balk naar beneden liet vallen en we niet meer naar beneden konden. Er zat dan ook niets anders op dan om hulp te roepen. Een visser die aan het water aan het vissen was, schrok zich te pletter en ging er vliegensvlug met zijn fiets vandoor. We dachten dat hij een lafaard was en op de vlucht sloeg maar in werkelijkheid ging hij de hulpdiensten bellen, zodat de redding diensten ons kwamen ontzetten. Opgelucht door de redding greep ik de toegestoken arm, de verrassing was groot toen ik onder een helm het onheil onder ogen kreeg, het was mijn meester die lid was bij de vrijwillige brandweer van Mol. Die kon er niet mee lachen. We zouden het geweten hebben. De ridders mochten hun zwaard inleveren en werden met een politiewagen in het weeshuis afgeleverd.

De priester bestede er zelfs aandacht aan in zijn Zondag preek. Het was volgens hem een wonderbaarlijke redding. Ik draaide mijn hoofd in de andere richting terwijl Eddy moeite had om zich ernstig te houden. Iedereen wist wie de geredden waren. We werden dan ook bekeken als boeven. Ook de Seppe en Theo toonden zich van hun beste kant. Naar hun zeggen hadden zij een toversleutel waarmee ze alle deuren konden openen. Theo nam de proef op de som en draaide de deur die toegang verschafte naar de slaapkamers met de toversleutel vast. Helaas, de toversleutel verloor blijkbaar zijn kracht en iedereen was plots buiten gesloten er zat niet anders op dan de Zusters ter hulp te roepen. De toversleutel bleek gejat te zijn in de keuken en als loper dienst te doen voor de zusters. De Seppe en Theo hingen er aan, gelukkig konden wij terug op onze kamers terwijl voor hen de boetedoening voor de gepleegde diefstal een aanvang nam.

Het Belgische leger nam het peterschap over het weeshuis. Bij die plechtigheid werden tanks en ander militair materiaal voor de bevolking ten toon gesteld. Er werd door de legerbasis van Leopoldburg een Ezel aan het weeshuis geschonken. Het beest kreeg de toepasselijke naam Tanki. Het dier werd bij een van de uitstapjes van Theo en de Seppe naar het dorp meegenomen.
Eigen aan een ezel liet het zijn begeleiders achter zich. De werkman van het tehuis moest het dier terug halen. De schenking verdween dan ook snel. Hij werd vervangen door drie Ganzen.

Deel 10.

Dat de zusters hun handen meer dan vol hadden met de bonte bende was een feit. De Seppe zorgde voor nog meer opschudding. Tijdens zijn bezoekje bij de ouderlingen had hij de doods kar, die dienst deed om overleden ouderlingen naar het dodenhuisje te voeren weg gekaapt. Het was een log ding met twee grote wielen vooraan en twee kleine achter aan. Zijn bedoeling met Theo was om Hugo onder een laken op die doods kar te leggen en in de lift te schuiven om iemand die de lift zou nodig hebben te doen verschieten. Hugo moest onbeweeglijk blijven liggen. De lift vertrok . Het was een zuster en een poetsvrouw die de verrassing van hun leven beleefden.

De zuster die niet besefte dat er een levende onder het laken lag en het om een grap ging, gaf opdracht om de kar met lijk naar het dodenhuisje te brengen en zo gebeurde, Hugo bleef uit schrik om niet betrapt te worden onbeweeglijk liggen en belande in het lijkenhuisje, dat vervolgens afgesloten werd. Uit paniek begon hij op de deur te bonken, jongens was hij bang. De zuster diende het vermeende lijk te bevrijden. Lijkbleek stond hij op zijn beentjes te trillen. Seppe en Theo mochten op het matje komen als straf kregen zij de taak de twee lijkenhuisjes een poetsbeurt te geven, gelukkig voor hen waren er op dat moment geen doden ter beschikking. Ik schaterde het uit, wie had er immers gedacht dat uitgerekend een zuster die geacht werd op dat ogenblik het middag gebed te houden de lift nodig had. Hugo was zo kwaad dat hij Theo een fikse boks gaf en vervolgens het mocht komen uitleggen. Hij kreeg geen straf.

Terwijl ik op sommige ogenblikken best kon lachen met de hilarische toestanden, was er ook een reden om niet te lachen. De twee oudere jongens bleven mij opeisen het misbruik bleef aanslepen tot gelukkig ze beiden door de Jeugdrechter terug naar huis werden gestuurd. Ik was van hen en het seksueel misbruik verlost. De zon klaarde voor mij op en onverwachts stond op een Zondag mijn grootmoeder aan het weeshuis. Zij was met een taxi van uit Herentals naar Balen Neet gekomen om Jozef, Marleen en mij te bezoeken. De zusters bleven bij het bezoek aanwezig zodat ik niet de vragen kon stellen aan mijn grootmoeder over datgene me al die jaren zwaar op mijn lever lag. Haar bezoek was eenmalig en ik zag haar nooit meer in het weeshuis op bezoek komen. Het onverwachte bezoekje riep bij mij weerom tal van vragen op. Het pakje koekjes dat ze ons had gegeven wierp de Seppe in de vuilnisbak. Wij hadden onze ouders en hun verwanten niet meer nodig.

Deel 11.

Het was een regenachtige dag. Na de ochtendmis en het eten trokken Theo, Eddy en ik met de fiets naar vrienden van de school. De zuster gaf ons wat centjes mee en we kregen de opdracht om tegen het avond eten terug in het weeshuis te zijn. Het zou volledig anders lopen . Een half uurtje na ons vertrek riep Theo plots dat er een auto op het fietspad reed. Ik dacht dat het om een grap ging, met Theo wist je immers nooit of het ernst was.

De klap was groot, alles gebeurde verschrikkelijk snel.
Met een geweldige smak kwam ik op de grond terecht, de eerste ogenblikken besefte ik niets, tot ik Eddy wat verder in een vreemde houding zag liggen. Theo huilde het uit van de pijn. Zelf draaide ik als een tol en kon niet bewegen. ik wilde recht kruipen, het lukte mij niet, wat deed alles verschrikkelijk pijn. Paniek maakte zich van mij meester. Een onbekende vrouw hurkte naast mij neer, ‘niet bewegen jongen blijf stilletjes liggen’ er werd een jas op mij gelegd, ik kreeg het koud ijskoud, de regendruppels vielen op mij neer en kleurden op het asfalt rood. Hoelang alles duurde weet ik niet, het gejammer van de omstaanders werd onderbroken door het geluid van sirenes die alsmaar luider klonken. Agenten doken op, alles was zo verwarrend, opnieuw klonken sirenes, het laatste wat ik hoorde was, ‘het zijn jongetjes van het gesticht’. Een totaal vreemd gevoel en duisternis overviel mij en plots niets meer. Geen pijn, geen licht, niets meer.

Van de Seppe hoorde ik later hoe hard het nieuws in het weeshuis die dag had toegeslagen en dat er in de Kapel voor ons was gebeden. Het heeft lang geduurd voor ik uit een coma kwam. Zelf heb ik niets gevoeld van de reanimatie en de spoedoperaties die ik om mijn leven te redden ondergaan had. Aan de gezichten van de bezoekers merkte ik dat er iets erg was, niemand die mij er wat van vertelde. Ook Theo niet die rondliep met krukken, het enigste wat er mij gezegd was ‘genees nu maar eerst, het komt wel goed ventje’. Maanden later werd ik uit het ziekenhuis ontslagen. Toen ik mijn kamertje betrad, merkte ik dat Eddy zijn kastje leeg was een angstig gevoel overmeesterde mij. De zusters vingen mij direct op en vertelden me dat Eddy het ongeval niet overleefde en een mooie begrafenis had gekregen. Op dat moment had ik dood willen zijn.

Seppe nam mij mee naar zijn graf, bloemen waren er genoeg, op zijn laatste rustplaatsje een houten kruisje met zijn naam en de datum van geboorte en datum van zijn sterven. Voor mij werd duidelijk dat hij op de dag van het ongeval overleed. Die avond wilde ik alleen zijn en ging naar de Kapel, ik heb de man aan het kruis uitgescholden, hoe kon hij ons zoiets aandoen. Wij die al zoveel verdriet, ellende en armoede hadden gekend. Wij die niets bezaten en die jarenlang telkens op post waren geweest om de priesters in de Kerk en de Kapel bij te staan, wij die zoveel voor hem hadden gezongen. Waarom wij?. Maar er kwam geen antwoord, alsof het de man aan het kruis niets kon schelen. Uren heb ik aan het altaar geweend en ben uitgeput voor dat altaar in slaap gevallen. Zo werd ik die nacht door de nachtzuster die mijn afwezigheid had opgemerkt aangetroffen. Het was niet eerlijk ik was mijn beste vriend Eddy voor altijd kwijt. Theo zou weken later op mijn kamer ondergebracht worden, maar het werd nooit meer als vroeger met Eddy, iets in mij was geknakt en het kruisje dat steeds op mijn kamertje hing verwijderde ik, tot drie keer hing het de volgende dag weer op dezelfde plaats, telkens verwijderde ik het opnieuw, de zusters wonnen de strijd, ten laatste liet ik het hangen.

Deel 12.

Theo werd een toffe kamergenoot. Op school was de sfeer geheel anders geworden en werd ik plots niet meer geweerd. Iedereen deed zijn best om mij op te vangen. Zelf bleef het verdriet mij parten spelen. Julia de opvoedster nam mij steeds meer naar haar thuis omdat ik mij van alles begon af te sluiten. De Chiro zag mij niet meer, de priester was mij als misdienaar en koor zangertje verloren. Het maakte mij allemaal niets meer uit. Na het verlies van Eddy zat ik hoe langer hoe meer met gemengde gevoelens. De zusters die gemerkt hadden dat het bergaf met mij ging riepen de hulp van een kinderpsychiater in. De man stelde me allerlei vragen en de psycholoog zadelde mij op met vragenlijsten waarop ik telkens ja of nee diende te antwoorden. Twee keer per maand moest ik op consultatie in het ziekenhuis om mijn wonden verder op te volgen. In het weeshuis werden die dagelijks in de verpleegkamer verzorgd, de stank van ether en het gebruikelijke roodsel werd ik al snel gewoon. Elk medisch onderzoek en elke verzorging deed mij terug aan Eddy denken wat me bitter maakte. Theo kon intussen terug zonder krukken lopen en verwerkte op zijn manier zijn verdriet.

Op een dag dat ik terug kwam van de radiografie in het ziekenhuis trof ik een groot kruisbeeld aan in ons kamertje. Mijn eerste reactie was op Theo af te geven en te vragen of hij gek geworden was. Hij schrok erg van mijn reactie. Ik had al moeite met het kleine kruisbeeldje dat de zusters telkens weer hadden terug geplaatst, laat staan nu een groot kruisbeeld. Toen ik het wilde verwijderen greep Theo in. De zuster dewelke hij erbij haalde loofde ons omdat wij zulke christelijke jongens waren geworden. De dag nadien maakte ik kennis met het geheim van Theo. Hij had het kruisbeeld uitgehold, het was een geheime bergplaats voor zijn verboden sigaretten. De vindingrijkheid van Theo deed mij lachen. Zijn bergplaats mocht dan ook blijven hangen.

Ik begon mij te vervelen nu ik niets meer om handen had. De consultaties bij de kinderpsychiater en psycholoog kregen als resultaat dat het stilletjes aan tot me doordrong dat blijven treuren geen aarde aan de dijk bracht en het leven verder ging, ook zonder Eddy . De Seppe sleurde mij mee naar de voetbal, het circus en de kermis en vroeg om uiteindelijk terug wakker te worden en eens om mij heen te kijken. Hij had gelijk. Met gemengde gevoelens kwam ik tot het besef, dat ik door mijn houding en beslissingen de zusters, de priester en hem verdriet had aangedaan en mijzelf zieker maakte, terwijl zij geen enkele schuld troffen aan het ongeval. Het weekeinde nadien stond ik terug als misdienaar aan het altaar, zong terug in het kinderkoor en trok weer naar de Chiro. Ik had het verwerkt. Bij begrafenissen besefte ik dat de aanwezigen die een dierbare hadden verloren verdrietig waren, ik wist nu wat verdriet was. Het grafje van Eddy bezochten wij geregeld.

De zusters konden terug op adem komen en kochten voor Theo en mij een nieuwe fiets. Het leven kon heropstarten.

Wordt Vervolgt

Klik hier voor het volgende Deel

Dit bericht is geplaatst in Het Einde van ons Beschikkingsrecht. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *