Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 3

 

Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 3

Marcel vervloesemBordmorkhovenMarcel Vervloesem opnieuw achter de tralies1

Klik hier voor het eerste Deel

Deel13.

De diepe wonden heelden langzaam, zelf had ik terug vrede gesloten met de man aan het kruis. In de Kerstperiode zong ik het liedje ‘Stille Nacht heilige Nacht’ in de Kapel en in de Kerk’. De opgestelde Kerststal deed mij dan weer denken aan het bouwvallig huisje in Noorderwijk waar wij piepjong op het vuile stro waren aangetroffen. Kerstnacht was steeds een drukke nacht, mede omdat er verschillende missen achter elkaar waren en ik dienst deed als misdienaar en zangertje zijn. Ik liep dan met Kerstdag ook steeds met slaperige oogjes en schorre keel in het rond. In de hal van het weeshuis stond een grote boom met de mooie lichtjes en de schitterende kerstballen en pakjes die het Kerstfeest volledig maakten.

Gezelliger was het om het gekende Drie Koningen te gaan zingen. Theo speelde vol overgave de zwarte Koning, hij zag er goed uit nadat hij zich insmeerde met de zwarte kooltjes uit het wierookvat . Ik had de vergulde kroon van het Maria beeld uit de Kapel op mijn hoofd. De Heilige Maria moest het die dag maar zonder haar kroon stellen. Aan klederen ontbrak het ons niet, er waren er voldoende in het ouderlingen verblijf. De Seppe droeg een grote zak om de verloning voor onze liederen aan de deuren in Balen in ontvangst te nemen.Op het einde van de dag werden dan de opbrengsten van de Drie Koningen netjes met de anderen gedeeld. Theo was minder gelukkig, nadat hij vaststelde dat de zwarte kleur van de kooltjes moeilijk af te wassen waren, hij gebruikte van alles, zeep, bruine zeep, kuisproducten en bleekmiddel. De dag nadien zat zijn gezicht vol uitslag. Gelachen werd er wel mee.

De Seppe zorgde op de speelplaats voor animo. Wij hadden in de ouderlingenafdeling van een der oudjes een seksboekje gekregen waar Seppe zo fier als een pauw mee pronkte. Voor de som van één kwartje mochten de leerlingen op school eventjes naar de prentjes kijken. Het handeltje duurde niet lang. Nadat de schooljuffrouw de Seppe betrapte en hem met zijn oren meesleepte naar de directeur werd het onzedige boekje met de schaars geklede meisjes tot de brandstapel verwezen en in de stoof verbrand. Theo en ik mochten ook op het matje komen, met mijn eerste oorvijg tot gevolg. De Seppe mocht als straf de speelplaats proper gaan maken.

Uiteraard werd het voorval gemeld aan de zusters. Het gevolg was dat onze kamertjes aan een controle werden onderworpen en zo het geheim van het grote kruis aan het licht kwam. Theo zijn sigaretten werden weggenomen en voor straf moest hij gaan biechten bij de priester. Hij mocht toen een gewijd palmtakje aan zijn geheime bergplaats steken ter herinnering van zijn misdrijf.

Door de trektochten met de Rijksveearts kreeg ik steeds meer liefde voor de dieren. Met toestemming van moeder overste mocht ik in de tuin van het weeshuis gebruik maken van een stalletje en een paar diertjes houden. Het duurde niet lang alvorens ik bijna een dierentuin bezat. Schildpadden, eenden, ganzen, konijnen, cavia’s en witte muizen werden mijn rijkdom. Van het zoontje van de plaatselijke Apotheker kreeg ik twee duiven, de mormels namen het hazenpad toen ik ze uit de duiventil los liet, blijkbaar waren ze niet graag in een weeshuis, gelukkig vlogen ze terug naar de Apotheker en waren ze twee dagen later terug in mijn bezit. Drie maanden zaten ze achter slot alvorens ik ze weer buiten liet en wonderwel bleven ze, kregen kleintjes en maakten het dierenbestand alsmaar groter.
Dank zij de etensresten van de keuken was er voldoende eten voor al mijn dieren. af en toe kreeg ik van de boeren wat stro. Zo ontstond mijn dierenhandeltje op de dierenmarkt in Mol. Ik verkocht er wat van mijn eigendommen en kocht er dan weer andere beestjes mee. Winst heb ik er nooit uit gehaald, ik was immers geen gehaaide zakenman. Voor de zusters was het allemaal goed, ze vonden dat ik er verantwoordelijkheid mee aanleerde. Minder gelukkig was ik als er dieren in de kookpot terecht kwamen, blijkbaar ging het dus niet enkel om verantwoordelijkheid te leren.

Deel 14.

De tijd in het weeshuis vloog voorbij. Geregeld trok ik met de Chiro op kamp en vergat dan alle kommer en kwel. Het slapen in tenten was best prettig. De leiders en de Chiromakkers waren erg goed voor mij. Bij hen bestond er geen verschil tussen arm of rijk. Telkens ik op Zondagen naar de Chiro ging spelen mocht ik in het verzorgingshuis van de Zusters in Balen Wezel gaan eten en ook soms blijven slapen. Ik kende hen omdat zij vaak bij de zusters in Balen Neet op bezoek kwamen, het was dezelfde orde van zusters der Liefde. In feite was ik best gelukkig. Ik voelde me dan ook goed thuis in Balen Neet en had er erg veel mensen leren kennen.

In de tuin van het weeshuis leek het op een aards paradijs. Er stonden tal van fruitbomen en bessenstruiken. Nu mijn angst voor het dodenhuisje voorbij was, raapte ik er gretig de kastanjes en noten op die gevallen waren, plukte de beukennootjes en bessen, krieken en kersen naarmate ze rijp waren. Voor het probleem van de onrijpe peren had ik een trucje geleerd van een ouderling die mij de kunst van het snel rijpen aanleerde. Langs de muur groef ik een putje, legde er wat krantenpapier in, daarop de onrijpe peren en dekte het af met glas met als eindpunt wat grond daar boven op. Na twee dagen waren de harde peren super mals. De zusters konden maar niet begrijpen hoe ik vaak te zien was met de rijpe peren in mijn mond. Lang duurde het niet tot de andere jongens mijn voorbeeld volgden. De peren verdwenen dan ook van de bomen nog voor ze rijp waren.

Naar gewoonte trokken Theo en ik op een dag in de vroege uurtjes naar de pastorie om mijn taak als misdienaar aan te vatten. De reuk van kaarsen viel mij direct op. Tot grote verbijstering van Theo en mij, lag de priester met opgevouwen handen opgebaard met rond zijn polsen een paternoster. Achter de lijkbaar was een groot kruis geplaats en er rond vier grote kaarsen. Het schijnsel van de kaarsen was het enigste dat de ruimte verlichte. Op een klein tafeltje bedekt met witte doek stond het potje met wijwater en het kwispeltje, zaken die wij erg goed kenden door onze aanwezigheid bij de laatste sacramenten bij stervenden en begroetingen in het dodenhuisje.
Het was muisstil .
Tranen vulden mijn ogen, jarenlang kende ik de priester als een goede vriend waar ik altijd bij terecht kon. Vaak was ik met hem in zijn VW Kever meegereden, hij was niet meer. Zijn handen voelden koud aan. Het verbaasde mij hoe vredig hij daar lag
Plots werden we gestoord door de zuster die ons er aantrof en vertelde dat de Eerwaarde in de nacht gestorven was bij een ongeval. Vier dagen later werd de uitvaart gehouden, wij deden als misdienaars uiterst ons best. Het was de eerste keer dat ik de zusters zag wenen. Een vriend was heengegaan.

De week daarop trof een ander onheil mij. De zuster die tien jaar lang voor mij zorgde op de momenten van verdriet, ziekte kommer en kwel verliet het weeshuis om overste te worden in het weeshuis op de wijngaardplaats in Brugge. Haar vertrek voelde bij mij aan als het verlies van mijn moeder. Er was bij mij een leemte ontstaan. De priester uit Olmen nam mij die dag mee naar zijn pastorie, ik kreeg een vislijn en mocht op de vijver van de pastorie op karper vissen. In plaats van er vis te vangen heb ik er enkel zitten te wenen.

Deel 15.

Op mijn twaalfde levensjaar vierden we mijn plechtige communie in het weeshuis. De Seppe en mijn zus Marleentje werden de eer genodigden. De zusters hadden er alles aan gedaan om van die dag een echt feest te maken. Door de vele voorbije jaren in het weeshuis was is een kind des huize geworden. Datzelfde jaar ruilde ik de gemeenteschool van Balen Neet met het Internaat van de Broeders der Liefde in Herentals om daar mijn scholing verder te zetten. Ieder weekeinde en verlofdagen bracht ik dan verder door in het weeshuis dat mijn thuishaven was.

Bij de Broeders van het Scheppersinstituut kon ik mij maar niet aanpassen. Het leek voor mij op een vreemde wereld. De Seppe zat er in een andere afdeling wat het onderling contact sterk bemoeilijkte. De speelplaatsen en slaapruimten waren er van elkaar gescheiden Ik zag hem dan ook enkel in het weeshuis terug, hoewel wij op dezelfde school les volgden. Ik was dan ook meer gefixeerd op de dag dat ik terug naar het weeshuis kon in plaats van in de lessen, ook al deden de Broeders erg veel voor mij. Het was niet mijn thuis. De mooiste momenten waren de woensdagen wanneer we in de namiddagen in de bossen van Herentals konden gaan spelen. Telkens ik terug in Balen Neet toekwam vingen de zusters, Julia en de jongens mij goed op. Bij de veearts bleef ik een vaste bezoeker om mee te rijden naar de boerderijen en te zien hoe kalveren ter wereld kwamen of katers gecastreerd werden.

Niets had doen vermoeden dat er zwaar onheil boven mijn hoofd hing. Op een verlofdag kreeg ik bezoek in het weeshuis van een mij tot dan onbekende sociale assistente van de Jeugdrechtbank Turnhout . De dame had blijkbaar als verzachting voor het giftig nieuws dat ze bracht wat koekjes voor Seppe, Marleentje en mij bij. Naar haar zeggen was er een pleeggezin voor ons gevonden en werd het tijd dat we het weeshuis mochten verlaten. Ik viel bijna om ver toen die dame mij vertelde dat een aantal jaren voordien een gezin uit Balen Neet vruchteloos een aanvraag had ingediend om mij te mogen adopteren.

Door familiale omstandigheden had de Jeugdbescherming dat geweigerd. En nu mochten wij naar een pleeggezin. Ik had geen reden om gelukkig met haar nieuws te zijn want op het einde van haar bezoek liet zij verstaan dat het om drie verschillende pleeggezinnen betrof. We zouden van elkaar gescheiden worden. Ik was toegewezen aan een Hovenier in Wommelgem, Seppe zou bij een beenhouwerij in Ravels terecht komen en Marleen in Antwerpen. De verkoop door de Jeugdbescherming van ons, drie wezen was gesloten van de ene op de andere dag. Nu zou ik ook mijn broer Seppe en mijn zus Marleen verliezen, de vele vrienden uit het weeshuis, Julia, de makkers uit Balen Neet, en de zusters die jarenlang voor mij gezorgd hadden.

Die nacht heb ik niet geslapen, het leek of ik het bestierf. Nu zou ik ook datgene ik als mijn thuis had aanvaard voorgoed kwijt spelen. De zusters troosten mij zo goed ze konden. Zij hebben er nog alles aan gedaan om dit dramatisch besluit van de Jeugdrechtbank tegen te gaan om ons bij hen te mogen houden. De Jeugdbescherming was bikkelhard, haar besluit was genomen en de beslissing was wet.

De dag nadien stond er een voor mij totaal vreemde man en vrouw in het weeshuis om mij mee te nemen. Zij waren nu mijn pleeggezin. Mijn leven in het weeshuis waar ik zoveel lief en leed had doorstaan was ten einde ik was nog geen veertien jaar oud. De naam van de Sociale assistente Mvr Thange zou ik nooit meer vergeten. Wij weeskinderen waren verkocht.

Deel 16.

Na alles wat mij lief was te hebben moeten achterlaten in Balen Neet kwam ik in een villa terecht. Niets om blij om te zijn . Mijn kamertje was nu nog kleiner dan dit in het weeshuis. Dezelfde dag werd ik door mijn zogeheten pleegouders al meteen aan het werk gezet in hun serres. Elke dag begon het werk om vijf uur in de morgen en eindigde vaak om elf uur in de avond. Van pleegvorm of familiaal leven was er nergens sprake. Mijn maandloon bedroeg 800 franc per maand. Er was geen plaats voor vrije tijd en bij feesten moesten ik en de andere geplaatste jongens op de kamertjes blijven. Wij waren er slechts de werkslaven en verder niet gewenst. alles ging er gewoon om het geldelijk gewin. Ik kon dan ook erg moeilijk mij vinden in dit soort van zogeheten pleegouders. Vele geplaatste wezen gingen er dan ook lopen bij de familie van de Hovenier en verkozen het verbetering gesticht boven deze hel. Op een dag kwam Mvr Thange op bezoek en sprak ons toe, we mochten gelukkig zijn dat we het zo goed hadden getroffen. De enigste die blij mochten zijn was zijzelf die telkens bij haar bezoekjes gratis bakjes groenten en bloemplantjes kreeg en de Hovenier met zijn goedkope werkkrachten.

De Seppe en Marleen zag ik nooit . Naar de zusters gaan was verboden . Er was geen tijd voor vrije dagen. Zondag namiddagen kregen we amper vrij en als het aan de Hoveniers lag zouden wij ook in de nacht moeten werken. Het was er niet prettig en het leven voor mij was er hard bikkelhard. Soms kreeg ik slaag voor het minste, slaag dat ik nooit in het weeshuis had gehad. Iedereen in het dorp kende de situatie bij die Hovenieren en mijn zogeheten pleegouders. Van de Postbode kreeg ik later de waarheid te horen. Zo bleek dat in het verleden de Jeugdbescherming van Mechelen er weeskinderen had geplaatst tot ze er achter kwamen dat die kinderen er gewoon uitgebuit werden. Het gevolg was dat zij er alle geplaatste kinderen weghaalden. Nadien had de Jeugdbescherming van Turnhout er plaatsingen beginnen te doen en waren er jongens weggevlucht alvorens ik er terecht kwam.

Het duurde twee jaar voor ik mij voor het eerst durfde te verzetten tegen de schrijnende verblijfstoestand. Voor mij waren deze mensen beslist geen pleegouders. Van het een kwam het ander, tenslotte dook plots Mvr Thange op en wilde mij onder vier ogen spreken. Zij wilde weten hoe mijn omstandigheden waren bij de Hovenier. Ik stak de waarheid niet weg. Ze schrok erg, blijkbaar had iemand de Jeugdrechter ingelicht over wat er zich bij die Hovenier afspeelde. Mvr Thange zegde, dat als ik het wilde ik naar een jongenstehuis mocht. Voor mij was dat geen oplossing. Zij haalde scherp uit naar mijn zogeheten pleegouders en eiste het spaarboekje van mij te mogen zien. Er stond welgeteld 18.000 franc op na twee volle jaren van wroeten. De Hovenier had er elke week mijn karig zakgeld van gerecupereerd. Voortaan moesten zij mij 1.400 franc per maand betalen en mocht het zakgeld er niet meer van afgetrokken worden. Boos maande de sociale assistente hen aan om voortaan ook de kosten voor mijn kleding niet van mijn spaargelden te recupereren en zou ze maandelijks op controle komen.

De Hovenier liet mij dan plots op verlof gaan voor vier dagen bij zuster overste in het weeshuis in Brugge, de zuster die ik zovele jaren in Balen Neet had gekend. Ik kon nu ook naar het Nieuwjaarsfeest in het jongenstehuis in Oud Turnhout waar de Seppe intussen was beland. Ik mocht van Directeur Thijs er blijven overnachten en telkens ik nadien de Seppe er ging bezoeken kreeg ik er ook eten. Marleentje was intussen in een meisjestehuis in Berchem beland, ook haar bezocht ik. De zusters in Balen Neet kon ik nu ook plots bezoeken. De Hovenier verkoos een andere aanpak uit vrees voor het schandaal dat zou kunnen uitlekken.

Deel 17.

De sociale assistente kwam voortaan elke maand. De Hovenier hield zich aan de gemaakte afspraken. Het was in die omstandigheden dat ik de geplaatste jongen Franske kennen. Voor hem was het al evenzeer een hel. Door omstandigheden werd hij het slachtoffer van een verkeersongeval en kwam in het Onze Lieve Vrouw Middelares in Deurne terecht. Die avond hoorde ik uit een gesprek tussen de Hoveniers onderling dat er voorzieningen werden getroffen om de jongen in het heropvoeding gesticht in Mol te plaatsen van, zodra hij de kliniek kon verlaten. Franske kon immers niet meer voor hen wroeten en was bijgevolg een overlast. Een innerlijke woede overmeesterde mij. Ik bezocht hem in de Kliniek. Hij lag er verlaten en zielig bij.

Meteen heb ik het telefoonnummer van Gazet van Antwerpen opgezocht en achter een reporter gevraagd. Zo leerde ik Johan Staes kennen, een journalist met zijn hart op de juiste plaats en legde hem de situatie uit. Dit gaf tot gevolg dat met de Kerst er een artikel in die krant verscheen onder de titel ‘wie geeft Franske.G. een nieuwe thuis’. Talrijke mensen lazen dit Kerstverhaal en reageerden. De Hoveniers waren woest. Zonder te ontkennen gaf ik grif toe dat ik het was die de krant had ingeschakeld. Ook de Jeugdbescherming schoot wakker, assistente Thange dook al vlug op en ik kreeg een fikse uitbrander en voor de Hoveniers was ik de kop van jut. Mijn verloven werden ingetrokken en ik kreeg ook mijn karig zakgeld niet meer.

De verschijning van het artikel bracht in het dorp de tongen los. Verschillende mensen bezochten mij. Franske kreeg een stapel Kerstgeschenken en mocht tenslotte in een gewoon jongens tehuis. De kwestie was der Nederlandse Journalist Rudie Kagie niet ontgaan, hij schreef in zijn boek ‘de kinderbeschermers over het schandaal met de weeskinderen in Wommelgem. De sfeer in het pleeggezin was toen uiteraard te snijden, tot slot mocht ik dan toch weer op verlof en naar buiten en werd ik Jeugdleider bij de Jong KLJ in het dorp en zat weldra in de gewestvergaderingen in Kontich. Kort daarop hielp ik de CVP jongeren oprichten en belande zo mee in het arrondissementsbestuur van de CVP jongeren in Antwerpen. Dat maakte dat mijn schrijnende toestand aan het licht kwam en een lid van de christelijke vakbond de arbeidsinspectie op de Hoveniers afstuurde.

Gelukkig voor mij was de Politie een oproepingsbrief voor naar het leger te gaan komen betekenen. De verplichte dienstplicht was een uitstekend middel om op wettelijke manier aan de hel bij het zogeheten pleeggezin te ontsnappen. En zo gebeurde het dat ik bij het pleeggezin aan de deur werd gezet, door mijn legerdienst zou ik voor hen niet kunnen werken en dus was ik enkel een last. Van die dag was ik buiten het leger om dakloos met een paar karige bezittingen.
Geen reden om te huilen, ik was bevrijd.

Deel 18.

Bijna vier jaar en half had ik bij het zogeheten pleeggezin door gebracht . Amper 16 jaar oud had ik mijn eerste actie gevoerd. Nu was het mijn plicht het leger te dienen, wat niet zo eenvoudig was. Burgerlijk gezien had ik geen onderdak als militair wel. Mijn opleiding bij het leger begon in de legerkazerne van Heverlee. De soldij was 20 franc. Het was er heel wat beter dan bij mijn pleegouders. Al vlug leerde ik hoe een licht machinegeweer te hanteren uit elkaar en dan weer in elkaar te steken, en de tactiek om tijdens oorlogsvoering te overleven.

Totaal tegen mijn verrassing in werd ik al snel bij een officier geroepen en verzocht om sectie overste te worden. Ik vroeg hem of ik met mijn besluit nog een paar dagen mocht wachten. Ik was immers best tevreden met de zes makkers op de kamer. Tenslotte werd ik dan toch peloton overste, wat betekende dat ik diende te verhuizen naar de eenpersoonskamer van voor in onze sectie. Al snel leerde ik de nadelen ervan. Elke dag was het nodig een uurtje vroeger op te staan dan de jongens van de sectie. Het was mijn taak hen te wekken en ze te begeleiden in mars naar de keuken, de vrachtwagens, de oefenterreinen en de voorstellingen. In de avond lag ik dan ook als laatste van de sectie in bed.

Vooral de wachten vielen erg zwaar uit. Gewapend met een Fal geweer over mijn schouders en de bajonet aan de zij, ingeduffeld in warme legerkleding moesten wij door regen en wind, ijs en koude. Twee uur duurde de ronde, dan twee uur piket aan het wachtlokaal en dan twee uurtjes pitten om dan terug wacht te lopen. Bij een van die wachten dienden twee officieren zich aan om de Kazerne te mogen betreden, omdat ze geen geldig militair toegangsbewijs bezaten weigerde ik hen de toegang er kwam hommeles door. Tenslotte maakten ze aanstalten om met hun voertuig door de dwarsboom te rijden. Ik legde mijn wapen aan. Meteen was de actie voorbij, de twee officieren maakten zich kenbaar en feliciteerden mij. Het waren controleurs om te zien of wij onze wacht wel goed deden. Na die wacht kregen we als beloning een extra dag verlof. Gezien ik dakloos was wisselde ik die verlof dag in tegen een wachtdienst, zo bleef ik in de kazerne en had te eten terwijl mijn makker naar huis kon.

Het onderhoud van mijn uniform moest ik zelf doen, gelet op het gebrek aan een thuis met al de noodzakelijke voorwerpen. Van de Leger Aalmoezenier mocht ik mijn burger en legerkleding wassen in zijn was machine. Ik leerde hoe ik mijn kleding kon strijken. Want geld om het door een ander te laten doen bezat ik niet. Op een dag voelde ik mij erg rot en ziek. Dat werd alsmaar erger tegen de volgende ochtend was ik zo ziek dat ik niet meer uit bed kon. Ik belande in de infirmerie met veertig graden koorts. Meteen werd ik er opgenomen. Tien dagen later was ik terug genezen, de legerpillen hadden blijkbaar geholpen.

Drie maanden later vertrokken al mijn makkers met de trein naar de kazerne in Duitsland. Gelukkig mocht ik in België gestationeerd blijven. Twee weken later vertrok ik dan naar bataljon 33 in de Lange Leemstraat in Antwerpen. Alwaar ik ten voorlopige titel in de kantine werd geplaatst.

Wordt Vervolgt

Klik hier voor het volgende deel

Dit bericht is geplaatst in Het Einde van ons Beschikkingsrecht. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *