Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 4

 

Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 4

Marcel vervloesemBordmorkhovenMarcel Vervloesem opnieuw achter de tralies1

Klik hier voor het eerste Deel

Deel 19.

Al snel was ik er ingeburgerd. Op korte tijd werd ik verkozen als info afgevaardigde om de belangen te verdedigen van de jongens die hun verplichte legerdienst moesten doen. Dit maakte dat ik bij regelmaat de klachten en andere noden van hen op die bijeenkomsten aan de officieren voorlegde en op een oplossing aandrong. Soms lukte het me, soms ook niet. Zelf nam ik met de regelmaat wachtdiensten over van de andere militairen. Zo gebeurde het dat ik van wacht werd samen met een officier waarmee ik meer dan eens in de clinch lag. Of het opzet was of niet, uitgerekend hij zou mijn wachtoverste worden. Meteen een goede reden om het militair zakboekje uit het hoofd te leren .
Uit het boekje leerde ik dat het de plicht was van de schildwacht om de poort niet te verlaten. Een handig iets. Die avond regende het erg, mijn wachtoverste lag rustig te pitten op een brits in zijn bureeltje. Het was aan mij om de tientallen in en buiten komende militairen en voertuigen te controleren. Uiteraard was ik mest nat. Af en toe ontwaakte de officier, liet Koffie zetten en gaf me het bevel om mijn ronde te doen in de Kazerne. Toen ik hem wees op de inhoud van het Militair zakboekje werd hij kwaad en was verontwaardigd. Hij trok er zich niets van aan.

Tot !, laat in de nacht een hels lawaai dat tot in de wachtpost te horen viel zijn aandacht trok. Nog voor hij ter plaatse was repte ik mij met mijn vingeron een licht machine geweer naar de oorzaak van het lawaai. Ter plaatse trof ik er drie jonge militairen aan met rond zich allerlei stenen en een stuk van een schouw. Zij wilden langs het dak de Kazerne binnen kruipen en de schouw begaf het. Geen probleem ware het niet, dat ik hen eerder uit de Kazerne had laten gaan terwijl zij op de lijst van de gestraften stonden en in geen geval de Kazerne hadden mogen verlaten. De officier vloekte en verweet mij van alles en nog wat.

Ik was hem echter voor en stelde in mijn nachtverslag dat drie jonge gestraften een poging hadden ondernomen om bij nacht de Kazerne te kunnen verlaten, wat ik hen door het lawaai had kunnen verhinderen. Wat heel wat anders was dan tegen de regels buiten te zijn geweest en hun brigade te hebben verlaten. Bij het leger was weigering van een bevel al voldoende reden op zich om voor de Krijgsraad te worden gebracht. Ik had mijn makkers hierdoor beschermd. De wachtofficier stelde een rapport tegen mij op. Daags nadien mocht ik het de Kolonel gaan uitleggen. Met het militair boekje ter hand stelde ik, dat juridisch naar de militaire regels gezien ik enkel mijn plicht had vervuld en tegen de regels in als schildwacht de poort had moeten verlaten zodat de Kazerne onbeschermd was. De Kolonel kon er best om lachen en de officier kreeg een uitbrander. De misdadigers kregen een week strafwerk en mochten de gangen kuisen en de patatjes schillen een ruime verbetering in plaats van de Krijgsraad.

Twee weken later stond ik opnieuw op wacht met dezelfde officier die zijn ongelijk niet verteerd had. Hij controleerde nu zelf al wie de Kazerne verliet en binnen kwam, terwijl ik in de wachtpost droog en warm mijn koffietje dronk en de telefoons bediende. Hij was heel wat vriendelijker tegen mij, maar ik wantrouwde zijn vriendschap. Om hem wat te sparen deed ik dan toch een paar ronden in de Kazerne. Een uurtje eerder had ik vier dronken jongens stilletjes de Kazerne binnen geloodst. Bij mijn ronde trof ik de Belgische vlag die aan de vlaggen mast thuis hoorde, kapot gescheurd aan op de trappen van de slaapverblijven. Bij het einde van mijn ronde kwam de Officier kijken wat ik in mijn nachtverslag schreef. Bevend greep hij het verslagboek het was alsof hij stikte. De Belgische vlag, het symbool van de Natie kapot gescheurd!. Hij voelde het gedonder al hangen. Lachend heb ik hem gekalmeerd en beloofd om zijn probleem op te lossen Met de sleutel van de garagedeur naar het Militair gasthuis trok ik naar hun magazijn, jatte er een Belgische vlag en hing ze bij ons aan de vlaggen mast. In het nachtverslag stond, dat er die nacht niets voorgevallen was en het rustig was geweest. De handtekening van de officier en mijzelf stond er kameraadschappelijk onder. Sindsdien deden wij onze wachten in alle tevredenheden.

Deel 20 .

In de kantine was het best om werken, ik had er voor gezorgd dat er voortaan belegde pistoletjes konden gekocht worden. In een stille afspraak met de dame van het voedingswinkeltje verder op, werd overeen gekomen dat ik een percentje kreeg van de bestelde pistoletjes en de kaas en andere bijval. Het sommetje tikte zowel voor het leger als mijzelf erg vlot aan. De legerkost was immers niet dat en een malse pistolet was een uitstekend alternatief .

Ook van de brouwer die zijn omzet aardig zag stijgen door de grotere verkoop van zijn dranken in de kantine mocht ik af en toe wat extra in mijn zakken stoppen. Als er een beroepsmilitair op pensioen ging gebeurde dat steeds met een afscheidsfeestje in de Kantine. Er moest dan champagne worden aangeschaft en onder het feesten draaide ik Duitse plaatjes. Verschillende champagneflessen verdwenen nog voor het feestje er was toch geen militair die de flessen telde. Ik gebruikte de ‘uitgespaarde’ champagne om in de avond aan de jongens een gratis glaasje te schenken. Men heeft het nooit geweten. Met al het extra geld begon ik mijn studie en volgde cursussen voor Technische Politie.
Ik had immers toch niets anders om handen.

Bij een uitstapje leerde ik Betty een meisje uit mijn dorp kennen. Zij herkende mij nog als de leider van de Jong KLJ. Het klikte vrij goed en kort er op werd ik bij haar thuis uitgenodigd. haar vader had als ACV afgevaardigde gehoord over mijn situatie bij de Hovenier en bood mij indien ik het wilde onderdak aan. Mijn probleem van dakloze was voorbij. In de vrije dagen bracht ik mijn tijd dan ook door met studeren en bij Betty.

Op het laatst van mijn legerdienst werd ik geconfronteerd met een onderofficier die er prat opging in de Koreaanse oorlog te hebben gevochten en vele soldaten en hun gezinnen te hebben gedood. Ik liet duidelijk mijn afkeur blijken. Hij eiste dat ik zijn mening deelde dat het doden van vijanden een plicht was, ongeacht of het nu soldaten waren of kinderen. Ik weigerde en kreeg bevel om alle sigarettenpeukjes in de Kazerne op te rapen. Ik was dat volgens hem toch gewoon van in het weeshuis, want aldus nog verder was ik niet voor niets in het gesticht terecht gekomen, daar kwamen volgens hem enkel leeglopers en misdadigers terecht. Ik weigerde zijn bevel op te volgen. Ik zou als mens immers geen andere mensen neerknallen.

Een uur later werd ik naar het Cachot in Burcht gevoerd en opgesloten. De beschuldiging was het weigeren van een bevel. De ganse nacht lag ik in een koud cachot met een vuil deken. De volgende ochtend werd ik voorgeleid bij de Krijgsauditeur. Na verhoor werd ik, nog geen negentien jaar oud, geboeid overgebracht naar de gevangenis in Antwerpen. De acte van militaire aanhouding luide ‘Weigering van een Bevel met alle bijhorende.

Deel 21.

In de gevangenis werd ik ondergebracht bij twee andere gevangenen die er opgesloten waren voor een reeks diefstallen. Per dag mocht ik een uurtje gaan wandelen, waarbij de gevangenen ieder een meter afstand na elkaar moesten behouden en niet mochten spreken. Lang duurde het niet alvorens er hulp voor me kwam. Een advocaat zocht mij op en zou mijn verdediging opnemen. Ook vanuit politieke hoek kwam onverwachte hulp, ze waren mij daar niet vergeten. In een namiddag werd ik naar de Krijgsauditeur gevoerd. De man stelde dat er velen voor mij hadden gepleit en vroeg of ik hem wilde vertellen wat me op de lever lag.

Twee uurtjes zat hij verbouwereerd te luisteren en stelde dat hij zou doen voor mij wat binnen zijn mogelijkheden lag. De twee Rijkswachters die me terug naar de gevangenis brachten lieten mij verstaan, dat ik snel terug op vrije voeten zou zijn. Tien dagen later verscheen ik voor de Krijgsraad, mijn advocaat heeft niet veel moeten doen. De Krijgsauditeur stelde dat hij niet kon instemming vinden met mijn weigering van een militair bevel en voegde er meteen een overzicht aan toe over mijn belevenissen. Voor hem volstonden de 15 dagen provoost die ik in voorarrest had doorgebracht. De Krijgsraad volgde hem.

Dezelfde dag werd ik met een jeep door twee makkers uit de Kazerne opgehaald en was ik terug in mijn Brigade. Een dag later zat mijn legerdienst er op en kon het leger achter mij laten.
Met mijn legerhemd in de vorm van een Robin Hood vestje geknipt trok ik Antwerpen in, reden voor de Militaire politie om mij achterna te zitten, tevergeefs ik was hen te snel af.

Bij Betty en haar ouders was ik meteen welkom en nam er mijn intrek. Snel zocht ik werk, want die mensen hadden het niet breed en kon aan de slag bij een bakkerij. Van het verdiende geld gaf ik een deel af aan de vader van Betty, het overige belande op mijn spaarboekje. Bij toeval troffen wij de Koreaanvechter aan. Hij was nu portier aan cinema Rex in Antwerpen. Hij herkende mij en bood onmiddellijk zijn verontschuldiging aan, zo had hij het niet bedoeld. We mochten als tegen gebaar een aantal keren gratis binnen in de cinema.

Mijn cursussen en studie werden met bekroning afgesloten. Ik behaalde mijn diploma van Technische Politie en kon een aantal uurtjes aan de slag bij een Antwerps Detectivebureau. Gelijktijdig kreeg ik via een vriend een postje aangeboden in een warenhuis waar ik in het magazijn werkte en opgenomen werd in het veiligheidscomité.

De Jeugdbescherming was nog niet van mij af.
Het weekblad Knack plaatste een groot artikel ‘Kinderbescherming in vraag gesteld’. Op de cover pronkte mijn foto als aanmelding van het hoofdartikel.

Vrij snel mocht ik in Brussel bij Herman Van Der Poorten, dewelke Minister van Justitie was het op zijn bureel komen uitleggen. Zijn Kabinetsmedewerker Dujardin stond er met een grote strik bij. De luxe van het kabinet overdonderde mij. Na het gesprek met de Minister kreeg ik een glaasje limonade. Het actieleven dat al begon in de kwestie rond Franske toen ik 16 jaar oud was kreeg nu zijn ware vorm.

Deel 22.

De gebeurtenissen bij het leger waren misschien stom geweest, maar het had mij gesterkt en in feite was ik blij dat ik toen aan de eisen van de Koreaanvechter niet had toegegeven. Ik was anders opgevoed en zeker niet voorbestemd om medemensen te doden. Betty en ik besloten dat we zouden trouwen, mijn toekomstige schoonouders waren het daar volledig mee eens. we hadden voldoende gespaard en ik zou bij de Jeugdrechter in Turnhout de vrijgave van mijn spaarboekje aanvragen.

In de plaats van enig antwoord op mijn vraag te ontvangen kregen we Mvr Thange op bezoek die kwam vertellen dat ik beter géén artikels meer over de Jeugdbescherming zou veroorzaken. Ik mocht volgens haar niet vergeten dat ik nog steeds onder toezicht stond van de Jeugdrechter. De moeder van Betty nam het frontaal op voor mij en zegde dat ze fier was dat er mensen als mij bestonden. Mvr Thange beloofde dan dat ik een onderhoud met de Jeugdrechter zou krijgen. Toen ze hoorde dat wij plannen hadden om te gaan trouwen wees zij er op dat dit niet zo gemakkelijk zou verlopen als wij dachten.

Ze had gelijk, toen we op het Gemeentehuis aangifte gingen doen om te trouwen, bleek dat daartoe vooreerst de toestemming diende gegeven van mijn moeder. Ik hoorde het donderen in Keulen. Ik schrok, had ik nog aan moeder?. Gelukkig had ik hulp en kon bij de Jeugdrechtbank in Turnhout terecht. Ik werd er ontvangen door Mvr Wouters en een vriendelijke griffier die mij koffie aanbood. Tot mijn verbazing leerde ik de Jeugdrechtster kennen als een zachte vriendelijke dame die aandachtig luisterde naar mijn verzoek. Zij wist beter dan wie ook hoe mijn jeugd verliep. Ik kreeg toestemming om mijn spaarboekje van bij de Hovenier te lichten. De jaren van wroeten hadden mij 43.000 franc opgebracht. Met geen enkel woord dreigde zij me voor mijn uitvallen over de Jeugdbescherming, blijkbaar begreep ze mij.

Mijn moeder werd gedwongen om toestemming te verlenen voor ons huwelijk, ik wilde niets maar dan ook niets met haar te maken hebben. Alles werd buiten haar om geregeld. Het trouwfeest was top, tot laat in de nacht vierden wij door. Verschillende vrienden van vroeger en uit het leger, de Jong KLJ en de Jong CVP en, het werk vierden mee. De Seppe en Marleen waren in hun nopjes. Van de zusters kregen wij een kook vuur. Ons flatje hadden wij ingericht met de aangekochte meubeltjes. Het ging ons goed Seppe en Marleen zochten ons geregeld op en wij hen. Ik had het druk met het werken. Het leventje ging zijn gewone gangetje.

Betty had extra lekkers gekookt, toen ik van mijn werk thuis kwam zegde ze mij, dat ze erg goed nieuws had. Ze was in verwachting van ons eerste kindje. Het nieuws werd goed onthaald en de Seppe was fier om weldra nonkel te kunnen worden. Ik nam extra vrij om in het moederhuis bij de geboorte aanwezig te kunnen zijn. Tot grote ramp bleef de geboorte uit wat mij en vooral mijn schoonmoeder zenuwachtig maakte. Om het uur belde zij hoever het er mee stond.

Drie dagen lang liep ik op en af, de verpleegsters in het St Erasmus Ziekenhuis hebben nogal met mij gelachen omdat ik niet van Betty week. Tot na drie dagen in de voormiddag ons dochtertje ter wereld kwam. Op de geboorte aangifte in Borgerhout kreeg het de naam Wendy. Ik was nu vader geworden.

Deel 23.

Dit bracht uiteraard ook andere plichten mee, telkens ik de kans zag om wat vroeger te stoppen met het werk deed ik dat dan ook. Het was erg prettig om de kleine haar eerste stapjes te zien zetten en achter een lege fles te zien kruipen. De dagen dat ik opgeroepen was en laat thuis kwam was mijn eerste en laatste werkje bij de kleine te gaan zien. Het bracht verandering in ons leventje.

Mijn werk was niet zonder gevaren en Betty zag mij liever van werk veranderen. Dat nam nog toe nadat zij van mensen gehoord had dat iemand met een pistool op de parking van het warenhuis mij bedreigd had toen ik hem inrekende na diefstal. En ik een week later met blauwe plekken in het gezicht thuis kwam na de verijdeling van een overval. Ik merkte haar bezorgdheid en besloot dan maar om mijn bijverdienste als detective te staken. Ze was daar erg blij om. Als tegen pool ging ik dan maar aan het werk voor verzekeringen in fraudezaken, brandstichtingen en vreemde verkeersongevallen. Een werkje dat minder gevaar opleverde.

Op een dag liet een collega een briefje na, dat ik dringend naar thuis moest bellen. Ongerust deed ik dat bij aankomst op het bureel dan ook. Betty vroeg mij om naar huis te komen omdat er onaangekondigd bezoek voor mij was. Een uurtje later trof ik een jonge man aan in de sofa die een glaasje bier ledigde hetwelke Betty hem geserveerd had. Ik kon mijn ogen bijna niet geloven, keek en keek nog eens en kreeg plots bevestiging.

De jonge man trok erg veel op mijzelf. Uit het gesprek kwam naar voren dat hij een jongere broer van mij was die samen met nog een andere jongere broer waarvan hij niet wist waar deze nu verbleef opgegroeid was in een ander weeshuis. Ik die al zoveel gewend en zoveel gemist had schrok hiervan. Nooit had immers ook maar iemand me verteld dat ik nog twee jongere broers had.
Hij was dakloos. Betty was er van aangedaan en stelde voor dat Alois bij ons zou blijven logeren tot we een oplossing zouden hebben.

En zo gebeurde het.
Betty haar woorden was wet. Ik belde de Seppe die niet kon geloven toen ik het nieuws bracht dat het niet om een grap ging. Twee uurtjes later belde hij aan en leerde ook voor het eerst zijn jongere broer Alois kennen. We vonden dat wij hem niet in de steek mochten laten en gingen op zoek naar een flatje en meubeltjes voor hem. Tenslotte was het ook onze menselijke plicht. Alois was blij er niet meer alleen voor te staan, hij kwam dagelijks over de vloer en via contacten kon ik hem aan werk helpen. Het verhaal dat de volgende maanden er uit kwam over hoe hij zijn jeugd beleefde ontroerde mij. Ik zegde hem dat hij nu gelukkig kon zijn, hij had nu ons. Hij weende, het was voor hem tenslotte niet gemakkelijk geweest. Hij had mij gevonden dank zij diverse weekbladartikels die over mij als jonge activist waren verschenen. De media had dan toch eens zonder het zelf te beseffen nuttig geweest.

Deel 24 .

Alois werd eenvoudig weg in ons hart gesloten. Een paar weken later kwam ik van mijn werk thuis, Betty was met de kleine en haar moeder uit winkelen gegaan. Mijn aandacht werd getrokken naar een jonge man die op de trede aan de voordeur van het flatgebouw waar ik woonde zat te wachten. Ik begroette hem en ging naar mijn flat. Een paar minuutjes later ging de bel en stond de jonge man even later in mijn flat. Het was niet meer nodig dat hij zich kenbaar maakte, hij nam de foto van Alois van de schouw en in zijn handen, dat is onze Alois nu heb ik hem terug gevonden zegde hij. Mijn reactie was simpel, zo dan ben jij mijn jongere broer Alfons. Hoe weet jij dat kreeg ik als antwoord. Het was inderdaad mijn tweede jongere broer die zijn weg naar ons had gevonden. Ook hij had jarenlang in een weeshuis gezeten en was op zoek naar Alois. Om Betty niet te hard doen schrikken bij haar thuiskomst, liet ik een briefje voor haar achter, met de mededeling dat ik even naar Alois toe was en zij etten moest klaarmaken voor een mondje meer.

Ik kreeg het erg moeilijk om mijn tranen te bedwingen bij het zien hoe Alois en Alfons in elkaars armen vlogen. Beide jongere broers hadden elkaar terug gevonden nadat ze door de Jeugdbescherming uit elkaar waren gehaald. Ik was twee broers rijker. In de avond stelde ik Alfons voor aan Betty en de kleine. We zochten ook voor hem een flatje en ook voor hem stond onze deur steeds open. De Seppe werd opnieuw door mij gebeld. Hij schrok en vroeg met hoeveel kinderen wij eigenlijk waren, hij kon niet goed meer volgen. Het opduiken van mijn tweede jongere broer zette mij ernstig aan het denken. Ik besloot om op onderzoek uit te gaan en uit te vissen wat er zich allemaal in dat kleine vervallen huisje had afgespeeld en de rol van de Jeugdbescherming van Turnhout hierin was geweest.

Met mijn aangeleerde speurderstechnieken kwam ik bij een beambte van de Burgerlijke stand in Noorderwijk terecht. Zo hoorde ik dat ik een van de tien kinderen was. Het verraste me zo erg dat ik er even bij moest gaan zitten. De vraag hoe dit alles kon gebeuren zonder dat de Seppe, Marleen en ikzelf hier ooit wat van geweten hadden speelde door mijn hoofd. Een stille woede maakte zich van mij meester, met welk recht had men dit alles aan ons onthouden, was de vraag die mij bezig hield.
De vriendelijke beambte vertelde mij dat er nog twee broertjes en een zusje in het krot woonden te samen met onze Grootmoeder. Mijn moeder verbleef bij een man in Herentals. Wat er met de andere kinderen was gebeurd wist zij niet. De Veldwachter vertelde me hoe hij ons eertijds gevonden had. Ik werd misselijk . Hier zou en moest ik een einde aan stellen.

Mijn volgende stap was onopgemerkt het huisje te observeren. De dame van de Burgerlijke stand en de Veldwachter hadden in niets overdreven. Er was nog steeds geen elektriciteit en verlichting, zelfs waterleiding ontbrak en een toilet kon ik er niet vinden. Een dame die mij betrapte bij het nemen van foto’s sprak mij aan. Op haar uitnodiging ging ik mee naar haar huis. Bij een kopje koffie vertelde zij mij het ganse verhaal van het huisje. toen zij hoorde dat ik een van de buiten gehaalde kindjes was geweest, greep ze mij vast en knuffelde mij, ik stond er verveeld en geschrokken bij. Zij was het waar jarenlang gratis water werd gehaald voor de bewoners voor het huisje. Ik kreeg haar telefoonnummer en mocht altijd binnen springen als ik in de buurt mocht zijn. Zij kreeg mijn nummer met de vraag me onmiddellijk te bellen mocht er wat met de kinderen zijn. Die avond merkte Betty dat ik triest was, ik vertelde haar wat ik nu na zoveel jaar ontdekt had en ik liefst nog negen broers en zusjes had.

Wordt Vervolgt

Klik hier voor het volgende deel

Dit bericht is geplaatst in Het Einde van ons Beschikkingsrecht. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *