Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 5

 

Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 5

Marcel vervloesemBordmorkhovenMarcel Vervloesem opnieuw achter de tralies1

Klik hier voor het eerste Deel

Deel 25.

Het werd een bonte drukte bij mij thuis. Mijn jongere broers bezochten ons bijna elke dag. Ook de Seppe en Marleen waren tevreden met de hereniging. Toch waren er nu nog andere dringende zorgen nu wij wisten dat er nog twee jongere broertjes en een zusje in erbarmelijke omstandigheden in het huisje verbleven. Marleen stelde voor om de drie kinderen te laten plaatsen. Dit was beslist géén optie voor de Seppe en mij. De jeugdbescherming inschakelen al evenmin wij wilden niet dat de kinderen hetzelfde moesten ondergaan als ons weleer. Het was Betty die de zaak van uit een andere hoek kon benaderen die met een goede oplossing afkwam. Alois die al een paar keer in het verleden in het huisje was geweest en al contact met de kinderen had gehad zou een bezoekje in het huisje brengen . Dat gebeurde al snel. Tot mijn tevredenheid ging Alfons met hem mee. Het werd het eerste treffen tussen hen en hun moeder. Deze had hen de deur uit gesmeten in een dronken bui, alsof zij zwerfhonden waren.

Ik liet bij het horen hiervan dit niet onbeantwoord en trok met Marleen op onze beurt naar het huisje. Voor het eerst stapte ik er binnen. Wat ik er aantrof was onbeschrijfelijk. De kinderen bleken op school te zijn. aan de kapotte kachel zat het oude vrouwtje dat in het verleden mij een bezoekje had gebracht in het weeshuis. Marleen stond als het ware aan de grond genageld. In het huisje troffen wij twee oude mannen, de ene bleek Jef te heten de andere Wies, het waren twee broers van elkaar. Het oude vrouwtje bood koffie aan. Marleen weigerde en ik nam de kop koffie aan om op die wijze een gesprek tot stand te kunnen brengen. Volgens hen was de moeder op café.

Uit de gesprekken bleek dat Wies bij gebrek aan een bed steeds op een stoel aan de kachel sliep. Jef had een bed dat achter een stapel aardappelen stond. De verlichting voor het ganse huisje bestond uit een campinglichtje op een busje campinggas. Ik lag er niet van wakker, maar wel hoe de kinderen er vertoefden, dus trok ik via een houten trapje naar het kleine boven verdiep via een valluik. De kinderen hadden een bed. Marleen werd erg kwaad toen zij de sneeuw op de bedjes aantrof die door de dak gleuven de twee kleine kamertjes binnen viel en de beschamende toestand waarin de kinderen al zoveel jaren leefden. Uit respect voor hen zal ik in mijn dagboek niet beschrijven wat mensonterends ik er allemaal zag en hoe ik mij op dat moment voelde. De enigste verlichting was twee kaarsjes.

Onze aandacht werd verstoord toen een dronken vrouw het huisje binnen kwam en meteen op het oude vrouwtje en de beide mannen begon te schelden. Ze zag ons plots en werd woest. Dus dit was onze moeder. Direct viel zij ons aan. Marleen deed een stapje achter uit. Gij gaat mijn kinderen niet afpakken brieste zij alsmaar. Ik greep in en zegde haar dat dit beslist niet onze bedoeling was. Ze was voor geen rede vatbaar.

Ik was het gebeuren met Alois en Alfons niet vergeten en liet haar duidelijk verstaan dat ze beter geen kinderen ter wereld had gebracht en ze moest beschaamd zijn voor wat zij haar kinderen had aangedaan. Alsof ze door een bie gestoken was zwierde zij woest om zich heen met een borstel. Tot slot dreigde zij de Rijkswacht erbij te zullen halen. Toen ze zag dat we ons niet lieten buiten werpen, trok ze naar boven en liet ons voor wat we waren.
Ik wist nu genoeg en zou het zaakje nog verder gaan uitzoeken.
Plots verscheen zij terug en brabbelde in zich zelf, tenslotte vroeg zij wat wij kwamen doen. Hoe durfde ze, ik heb haar keihard de werkelijkheid onder ogen gebracht. Ik voelde me bevrijd omdat ik haar eens duchtig de waarheid had gezegd over alles wat mij en de anderen al die jaren op de maag had gelegen. Ik was zo kwaad, dat ik haar zegde dat ze mocht doen wat zij wilde, maar dat ik een einde zou stellen aan deze schokkende situatie. Ik trok de deur achter ons dicht.
Dit zou nooit mijn moeder kunnen worden.

Deel 26 .

De Seppe werd door Marleen ingelicht over de gebeurtenissen en van datgene we er aangetroffen hadden. Daags nadien stond hij bij mij , hij was in alle staten. Gelukkig kon ik er hem van overtuigen dat het niet goed zou zijn om daar zijn beklag te gaan maken. Het zou de situatie voor de jongere broertjes en zusje alleen maar erger maken. We zouden onze tactiek anders moeten uitwerken, Betty was het daar mee eens. In mijn vrije uren bestudeerde ik het jeugdrecht en alles wat erbij hoorde. Het boek had ik in uitleen gekregen van mijn baas.

Mijn onderzoek bracht een aantal verrassingen aan het licht. Zo bleek dat mijn grootmoeder al jaren in de omgeving van Herentals gewoonte getrouw ging bedelen en in de volksmond de naam Manske droeg. Het oude vrouwtje trok elke week op bedeltoer en had een vaste ronde waar zij centen en eten kreeg. Telkens op het laatste van haar tocht nam ze aan het station van Herentals een taxi om terug te keren. Op die wijze had zij al jaren mee bijgedragen om de kinderen te voeden.

Mijn waardering voor haar groeide naar gelang ik de zaak in kaart kon brengen. Jef en Alois speelden ook een belangrijke rol om de drie kinderen te onderhouden. Een van de jongere broertjes speelde bij de plaatselijke voetbal. Het grote probleem bleef de dronkenschap van de moeder. Met mijn gegevens die ik door observatie had bekomen trok ik naar het klooster waar Manske elke week een vaste bezoekster was. Het gesprek aldaar maakte de puzzel op een paar stukjes te na volledig. Ik schaamde me een beetje om een onderzoek te hebben gevoerd, maar nood breekt wet en het ging tenslotte om mijn broertjes en zusje.

Ik wist nu hoe we de zaak met succes konden aanpakken. Alois trok met Alfons naar het huisje. Ikzelf was het die de moeder had gevolgd tot in de café. Een uitstekend moment om de kinderen mee te nemen. Tot tegenslag was enkel het jongste broertje en zusje aanwezig. Aan Jef en Wies en de grootmoeder vroegen zij of de kinderen mee op familiebezoek mochten. Er zat voor hen niets anders op dan ja te zeggen. Betty ving ze in de avond op en had lekker gekookt. Zo was het dat de kinderen nu vaker naar mij thuis toe konden. De Seppe, Marleen, Alois en Alfons zorgden mee om het kostenplaatje te kunnen dekken. Voor het eerst in al die jaren waren we bij elkaar. Betty ontpopte zich als een uitstekende onthaalmoeder.

De moeder was razend en belde mij, dat kon ze omdat we aan de oude mannen mijn telefoonnummer hadden gegeve . Ze schold mij uit dat wij beesten waren en ze het daar niet bij zou laten. Ze eiste dat we de kinderen direct zouden terug brengen. Ik diende haar vinnig van antwoord en stelde dat zij ons geen omgangsverbod op te leggen had en ik desnoods haar juridisch zou laten vervolgen voor kinderverwaarlozing. De kinderen bleven tot maandag bij ons. Alois kon er best om lachen, je hebt het jeugdrecht goed geleerd zegde hij. Toen de moeder zag dat de kinderen telkens werden terug gebracht, moet ze beseft hebben dat ze ons niet meer kon afschepen en wij onze broertjes en zusje telkens opnieuw zouden ophalen. De eerste stap tot de oplossing was gezet.

Deel 27.

Telkens de kinderen bij ons op logement waren geweest deed het me pijn om hen terug naar het huisje in Noorderwijk te moeten sturen. Ik besefte dat dit ook niet aangenaam voor hen moest zijn, van een warm nestje naar het kille vervallen huisje. Voorlopig zagen wij geen andere oplossing. Dit zat mij dan ook erg hoog. Mijn jongere broertjes en zus waren verlekkerd op de rijst, de curry en de kip die Betty klaar maakte. Het zou ons menu worden telkens de kinderen kwamen. Alois trok geregeld met hen op en reed in zijn klein autootje met hen dan rond.

Op een dag deden we met ons allen een uitstapje naar het Rivierenhof in Deurne, het was daar dat tijdens de boottochtjes en het roeien Alois twee meisjes een waterlift aanbood. Zijn bootje zakte evenwel te diep en door zijn geploeter met zijn roeispaan, kwam de vieze modder op de meisjes terecht, tot overmaat klonk over de microfoon dat bootje 13 naar het vertrekpunt diende te komen omdat hij niet voor de meisjes had betaald. De meisjes tierden het uit. Wij hebben met ons allen krom gelegen van het lachen.

Bij een bezoekje aan een duur restaurant bestelden wij als nagerecht een geflambeerde pannenkoek. Toen mijn jongste broertje de vlammetjes zag, kroop hij onder tafel en bleef maar roepen, brand, brand. Het waren van die mooie momenten met ons allen te samen. Bij een bezoek in een drankgelegenheid serveerde de ober blokjes kaas bij de drank. Op een gegeven moment riep de jongste broer, gazon kun je nog kaas brengen, hij kon de letter R niet goed spreken. De ober kon dan ook niet anders dan een nieuwe schaal met blokjes kaas brengen. De andere bezoekers konden er best mee lachen. De ober wat minder het schaaltje kwam bij op de rekening. De Seppe kwam geregeld op bezoek en vroeg me hoe het nu verder moest met onze twee jongste broertjes en zusje, eerlijk gezegd had ik er niet direct een antwoord op. Hij maakte zich ernstig zorgen over hen en de situatie in het huisje. Ook hij deed zijn best om het hen aangenamer te maken en wilde een oplossing voor het probleem. Ik begreep hem.

Justitie liet van zich horen. Door de ellende en alles daar omheen hadden Alfons en Alois in het verleden zaken gedaan die in het wetboek omschreven werden als strafbaar. Beiden hadden zelfs een poosje in de gevangenis gezeten in voorarrest. Dit kon mij en Betty niet deren, ikzelf had immers ook in een cel verbleven dat was blijkbaar eigen aan het lot van kinderen uit tehuizen. De moeder greep dit gegeven gretig aan en verweet de jongens dat het criminelen waren waar haar drie jongste kinderen mee vertoefden. Het maakte er de sfeer niet eenvoudiger op. Op een moment dat we de kinderen ophaalden gooide ze die verwijten naar mijn hoofd. Ik werd erg boos en stelde dat de justitie dan de verkeerden had opgesloten en zij daar beter in de cel thuis hoorde. Er uit riep ze, er uit. Ik ging maar nam de kinderen mee. Justitie sleurde tenslotte ook Betty mee naar de Rechtbank. Voor mij was de maat vol, de uitgebrachte dagvaardingen zouden ditmaal verkeerd voor de justitie uitvallen, dat zwoor ik bij mezelf.

Deel 28.

Blijkbaar was het voor justitie een optie om haar pijlen te richten tegen mensen die als kind getekend waren voor het leven in plaats van achter de echte misdadigers aan te gaan. Uiteraard was het voor hun diensten gemakkelijker om wezen en andere armen te vervolgen, dat bracht minder last met zich mee, want meestal was er dan toch geen geld bij deze categorie van mensen om een goede advocaat te kunnen betalen. Dit keer zou het niet zo verlopen.

De rechter viel hard uit en verweet diegenen die in mijn hartje een plaatsje hadden gekregen, dat ze zware misdadigers waren. Nog voor hij hen verder kon vernederen trad ik in actie, riep in de zaal dat het een schijn proces was en het gemakkelijk was om armen te veroordelen. Tot de verbijstering van het ontstelde Hof en de vele aanwezigen, overgoot ik mij met een bus benzine, nam mijn aansteker en.. De Rijkswacht greep bliksemsnel in terwijl de Rechters zich uit de voeten maakten. Fototoestellen flitsten en verslaggevers haasten zich om de eersten te zijn om het nieuws van mijn optreden wereldkundig te maken. Nog nooit had iemand een dergelijke confrontatie met zetelende Rechters uitgelokt.

De Rechtbank zat nu met een zwaar probleem en kon nu ook de waarheid niet langer omzeilen, gelet op de vele ooggetuigen. De Rijkswacht voerde mij doordrenkt door de benzine naar het cellencomplex af. Ik werd afzonderlijk in bewaring gesteld, ze wilden geen risico nemen dat ik in brand zou vliegen door een of andere sigaret of lucifer. Het Gerechtshof zat gevuld met een benzinestank. Een uurtje later werd er een reconstructie gehouden van de feiten. En iets wat later werd ik voor dezelfde Rechters geleid. Gezien ik geroepen had dat het om een schijnproces en dergelijke ging had ik smaad aan de Rechters gedaan. Een misdrijf in de Rechtbank moest volgens de wet onmiddellijk behandelt worden.

Het werd een keiharde confrontatie met het Hof. Een Advocaat die getuige was geweest van de gebeurtenissen sprong naar voren en liet aan de Rechters weten dat hij mij zou verdedigen. Even mocht hij met mij terzijde een gesprekje voeren. In een lang pleidooi zadelde ik het Hof op met de vele gebeurtenissen in ons leven en het falend belijd van hun collega’s en de Jeugdbescherming.. Een Rijkswachter die getuige was geweest werd opgeroepen, maar herinnerde zich wonderwel plotseling niet goed meer wat ik naar de Magistraten hun hoofd had geworpen. Justitie zat aardig met de handen in het haar. Ik zag vanop het beklaagdenbankje mijn broers en Betty naar mij glimlachen. Ik kreeg tenslotte 6 maanden gevangenisstraf, dewelke ik aldus het arrest niet moest gaan zitten. Alfons, Alois en Betty konden vrijuit naar huis gaan. Ik belande in de cel op de betichting ‘poging tot brandstichting in een bewoond gebouw ‘. Het was het minste van mijn zorgen.
Het liefst van al had ik de ganse justitie opgestookt.
De slag was geslagen.

Deel 29.

De Seppe en de anderen bezochten mij geregeld in de gevangenis. Ik moest even lachen toen hij mij zegde ‘had ik geweten wat je ging doen dan was de benzine verwisseld met water’. Betty ving de kinderen gewoon verder op en kwam ook met de kleine op bezoek. Fons en Alois lieten mij niet in de steek. In de gevangenis zelf werd ik door de medegevangenen goed onthaald, niet moeilijk allen hadden zij een hekel aan de justitie en hadden de kranten gelezen, het ontbrak me dan ook aan niets, behalve de vrijheid.

Onverwachts moest ik bij de Onderzoeksrechter verschijnen. De man gezeten achter een rijkelijk gevuld bureau met dossiers wilde van mij weten waarom ik zoiets had gedaan. Ik zegde hem dat hij dat maar aan de Rechters zelf moest vragen, die kenden immers mijn verhaal. Je weet toch jonge man dat dit je voor het Assisenhof kan brengen zegde hij. Dan moet je dat maar doen, dan kunnen er nog meer mensen weten wat justitie ons aan deed gaf ik als antwoord. Een Rijkswachter tikte op mijn schouder ten teken dat ik wat beleefder mocht zijn tegen de onderzoeksrechter. Voor mijn part kon die de pot op.

Een aangestelde gerechtspsychiater bezocht mij in de gevangenis en probeerde twee uur lang datgene de onderzoeksrechter wilde weten los te peuteren. Tevergeefs hij vertrok onverrichterzake. Drie dagen later was hij er weer en wierp het over een andere boeg. Zo hoorde hij wat er in al die voorbije jaren was voorgevallen. Zijn besluit was duidelijk. Het eindrapport beschreef mij als een sociale jongen geteisterd door een slechte en uiterst moeilijke jeugd en het gebrek aan familiale omgang. Hij achtte mij volledig verantwoordelijk voor mijn daden en gaf advies dat met een goede psychiatrische en psychologische begeleiding ik zeker geen gevaar voor de maatschappij betekende.

In de cel ontving ik brieven van mijn werkgever en makkers, de zusters en tot mijn grote verbazing van de Krijgsauditeur die ik bij het leger had ontmoet toen ik voor de Krijgsraad diende te verschijnen. Hij schreef dat ik moest beseffen dat Magistraten ook mensen van vlees en bloed waren, met hun problemen en zorgen, en dat ik ook daar moest aan denken. De zusters drukten hun grote bezorgdheid uit en wilden mij bezoeken en bleken in contact te zijn met de gevangenis aalmoezenier dewelke mij schrijfgerief en postzegels kwam brengen. Mijn werkgever liet weten wat centen voor mij op de gevangenisrekening te hebben gestort en ik bij mijn vrijlating terug verder bij hem aan de slag kon. Theo mijn vroegere kamergenoot in het weeshuis bracht ook een onverwachts bezoekje, dat deed mij deugd. Het verhaal over de gebeurtenis in de Rechtbank had velen diep geraakt.

De Onderzoeksrechter was niet te spreken over het psychiatrisch verslag en stelde nu een college van psychiaters aan. Deze bevonden mij in erge mate geestesziek, schizofreen en een uiterst gevaar voor de maatschappij. De slag over mijn geestelijke gesteldheid begon. Experten spraken het besluit van het college van psychiaters volledig tegen en sloten zich aan bij het eerste psychiatrisch verslag. De zaak en de ruzie tussen de psychiaters zorgde er voor dat de ganse zaak ter kennis kwam van andere deskundigen. Op een dag stond plotseling Dr. Jef Valkeniers bij mij op bezoek. De man was tevens parlementair. Justitie kon dit missen als kiespijn. Dr. Valkeniers gaf mij wat schrijfblokken en vroeg me om in mijn cel mijn kant van de zaak te beschrijven, gewoon zoals ik mij voelde, alles wat ik mee maakte, mijn bezwaren en hem dit toe te sturen.

De week later was mijn werkje af en zond ik het hem toe. Dr.Valkeniers schreef een brief aan de Minister van Justitie en stelde daarin dat de Justitie een weerzinwekkende vergissing had gemaakt. Ik bleek helemaal niet geestesziek te zijn. Gezien in de gevangenis de brieven geopend werden belande een afschrift van die brief op het Kabinet van de Onderzoeksrechter.

Die gaf het op, bij mijn laatste gesprek bij hem merkte hij me op dat ik een speciaal manneke was, hij kon wel eens gelijk hebben.  De Kamer van Inbeschuldigingstelling was mild voor mij en liet mij in vrijheid stellen. Tot drie keer toe werd ik op bevel van de Onderzoeksrechter terug aangehouden om telkens weer door de K.I.B. in vrijheid te worden gesteld. Zelfs de Magistratuur was het niet met elkaar eens met de aanpak op mij. Het is mij nooit duidelijk geworden waarom er zovelen voor mij in de bres zijn gesprongen. Volgens de zusters bezat ik een Engelbewaarder. Ik was nu terug herenigt met Betty en mijn broers en twee zusjes.

Deel 30 .

Ik was nu terug bij Betty en mijn dochtertje die ik gemist had. De eerste dagen nam ik rust. Mijn werkgever belde mij op, ik legde het hem uit dat ik even met mijn gezinnetje alleen wilde zijn. Hij begreep het en zou later wel terug bellen. De ganse heisa was hard ingeslagen en ik mocht het bij velen uitleggen. Ondanks alles voelde ik er mij niet slecht bij, ik had immers de weg van mijn hart gevolgd. Het gebeuren maakte de banden met mijn broers en zusters des te steviger. In de winkels en andere kreeg ik veel bekijks, mogelijk was ik in diverse ogen dan ook een echte misdadiger en in andere dan weer een held. Ik liet het rustig over mij heen gaan.

Veel rust kreeg ik echter niet. Een toekomen brief van een geestelijke uit de psychiatrische inrichting in Zoersel trok al mijn aandacht. Ze schreef me mijn adres te hebben gevonden door de vele kranten artikels die er waren verschenen. Volgens haar zat er in hun inrichting een zusje van mij, dat er al jaren verbleef en daar vanuit een weeshuis terecht was gekomen. Het meisje kreeg op een pater te na geen bezoek.

Ik nam de telefoon en belde de geestelijke op die haar brief bevestigde. Samen met de Seppe zocht ik haar daags nadien op en zo vonden we weer een zus terug. Toen wij haar een cadeautje gaven keek zij ons nieuwsgierig aan. We waren tenslotte vreemden voor haar. Ook zij zal erg verrast zijn geweest te weten dat er nog andere broers en zussen bestonden. Dat zouden we haar op het gepaste moment wel uitleggen.

Via de geestelijke vernamen we, dat Maria er was terecht gekomen omdat men niet wist waar men met het meisje naar toe kon. Mijn al bestaande verontwaardiging over de justitie en de jeugdbescherming groeide alsmaar aan. Tenslotte gingen we geregeld op bezoek, al had ik liever er meteen haar buiten gehaald, bleek dit wettelijk niet nodig. Ook hier zouden we werk van moeten maken.

Het optel sommetje in mijn dagboek wees uit dat er nu negen van de tien kinderen gevonden waren. Maar waar was dan het tiende kind en in welke omstandigheden zat het? . Het enigste wat geweten was, het moest een meisje zijn?. De Seppe vroeg om haar op te sporen. Het werd tijd volgens hem dat we na al die jaren samen konden zijn. Iemand opsporen waarvan niets geweten was leek niet zo eenvoudig. Toch begon ik er aan tot voldoening van de anderen. Betty vond dat ik haar inderdaad moest zoeken en ging op haar beurt op bezoek bij Maria in de psychiatrische instelling.

Bij haar thuiskomst merkte ik dat er wat gaande was. Ze schonk een potje koffie op, legde de kleine in haar bedje en zakte met een zucht in de zetel. Het viel haar blijkbaar zwaar. Ze vertelde me dat Maria zwanger was en men plannen had gemaakt om bij de geboorte van het kindje haar dit te ontnemen. Ik wist wat er mij te doen stond, net op tijd want twee weken later kwam haar zoontje ter wereld en kwam haar kwestie voor de Rechter die verzocht was het kindje van haar weg te nemen.

De Seppe schrok bij dit laatste nieuws. Wat nu vroeg hij me. Ik had de oplossing al op zak en ging naar de zitting van de Rechtbank en stelde mij voor als de broer van Maria en tekende meteen bezwaar in tegen de gevorderde beslissing. De Magistraat had mijn gezicht blijkbaar herkend en had oren naar mijn betoog. Maria zou weldra bij ons kunnen komen wonen en dus was er niet de minste reden om haar kindje af te pakken. In werkelijkheid was ze geen psychiatrisch geval doch een wees waar justitie zich geen raad mee wist. De Rechter volgde mijn stelling en stelde de zaak tot nader besluit uit. Het zoontje bleef tijdelijk in de babyafdeling in de kraamkliniek. De Seppe en Alfons zorgden er verder voor, want ik moest dringend terug aan het werk. Mijn werkgever zat opgezadeld met een serie brandstichtingen en reeksen diefstallen, hij had zijn speurneus dringend nodig. Dus ging ik met een collega direct aan de slag. We konden het geld meer dan ooit tevoren hard gebruiken.

Wordt Vervolgt

Klik hier voor het laatste deel

Dit bericht is geplaatst in Het Einde van ons Beschikkingsrecht. Bookmark de permalink.

Één reactie op Morkhoven: het dagboek over de jeugdjaren van Marcel Deel 5

  1. Diewer schreef:

    Ongelooflijk indrukwekkend, dit verslag van een heel bijzonder door liefdeloze én liefdevolle omstandigheden getekend leven van een heel bijzonder mens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *